Architecten in de natuur !
 

 

De beste architecten vind je in de dierenwereld. De honingraat, de duikersklok, talloze varianten in vogelnestjes en spinnenwebben. Het zijn stuk voor stuk wondertjes van technisch vernuft. De mieren leven samen in kolonies en bouwen vaak complexe nesten waarin ze hun larven grootbrengen.
 


 

 

DE WATERSPIN ALS KLOKKENMAKER
De waterspin heeft een bijzonder originele manier gevonden om onder water adem te kunnen halen. Hij bouwt een zgn. duikersklok. Eerst maakt hij een klein webje onder het wateroppervlak aan een plantje. Dan klimt hij terug naar het oppervlak om lucht op te halen, die hij opslaat tussen de vachtharen op het achterlijf. Terug onder water borstelt hij de lucht uit zijn vacht onder het webje, zodat die daar blijft hangen. De spin herhaalt de handeling totdat de luchtbel onder water groot genoeg is. Dan weeft hij er een nieuw klokvormig en nauwsluitend web omheen. Hij laat dit van onderen open, zodat hij er uit kan om op jacht te gaan of nieuwe lucht te halen ter verversing van de voorraad. De spin brengt verder zijn hele leven door in zijn duikerklok. Hij peuzelt er goed beschut zijn prooi op en plant zich er in voort.

 

SPINNENWEBBEN IN ALLE SOORTEN EN MATEN
Spinnen maken een web. Met hun spinklieren en spintepels (aan het achterlijf) maken ze spinrag. Het spinrag is eerst vloeibaar maar het verhardt als het wordt uitgetrokken tot een draad. Die draad is bijzonder dun, maar toch enorm sterk en elastisch. Hij wordt gebruikt voor het bekleden van woonkokers, voor het maken van cocons en als transportmiddel voor jonge spinnen. Maar het meest opvallend zijn de kunstig geweven webben.
 


Eerst maakt de spin een veiligheidslijn om op te lopen. Van daar uit weeft hij een web dat bestaat uit raam- en spaakdraden en
kleverige vangdraden om prooien te vangen en in te spinnen. Door de trilling van de spindraden kunnen spinnen elkaar waarschuwen dat er gevaar of prooi in de buurt is. Als het web af is, hoeft de spin alleen nog maar in een hoekje van het web te gaan wachten tot het eerste slachtoffer in de val vliegt. Spinnen spuiten verteringsenzymen in hun prooi. Na een poosje kan de spin haar prooi naar binnen slobberen.



In de herfst zie je vaak planten die versierd zijn met in de wind bewegende, ragfijne draadjes: herfstdraden. Ze zijn het best zichtbaar als de zon er op schijnt. Deze draadjes zijn afkomstig van jonge, heel kleine spinnetjes en het zijn geen mislukte webben. Als je goed oplet zie je hoe de kleine spinnetjes zich een weg banen naar de top van grasstengels en andere planten. Met hun achterlijf omhoog scheiden ze een stroom zijden draadjes af. De wind voert draad en spinnetje met zich mee. Soms over een afstand van honderden meters.
                                               

SLIMME SLAKKEN TREKKEN ZICH TERUG
Slakken hebben geen skelet zoals wij dat hebben. Omdat ze daardoor erg kwetsbaar zijn, hebben ze een huisje van kalk dat ze meestal op hun rug dragen. De slak kan er zich helemaal in terugtrekken. Zo beschermt hij zich tegen vijanden en ook tegen droogte en kou.
Telkens groeit er aan de buitenrand van het huisje weer een randje bij en daardoor is het huisje geribbeld. Als je voorzichtig de voelhorens van de slak aanraakt kun je zien hoe de slak zich terugtrekt in zijn huisje. De kop gaat eerst naar binnen, daarna de rest van het lijf. Ten slotte sluit de mantel zich over de opening is het huisje helemaal dicht. Zonder hun huisje zouden de slakken uitdrogen en al heel snel doodgaan.

 

WAT EEN GEMIER IN HET DORP!
Mieren wonen in een mierenhoop. In de bodem hebben de mieren gangen en kamers gemaakt. Daarin zorgen de werkmieren voor de bouw en de verdediging van het nest, het zoeken van voedsel en het verzorgen van de eieren en larven. De mannetjesmieren hebben als enige taak dat ze de koningin moeten bevruchten. Pas daarna kan de koningin in de loop der jaren haar tienduizenden bevruchte eieren leggen. De aanvankelijk gevleugelde koningin verliest na de bruidsvlucht haar vleugels en begint een nieuwe kolonie met vleugelloze werksters.
Op deze manier geven ze elkaar berichten door over een goede voedselbron, over dreigend gevaar of als ze hulp nodig hebben. Je zou soms denken dat ze uitgebreid met elkaar staan te 'kletsen'.
 

                                                        IN HET MIERENCAFÉ

 


In een mierenmaatschappij worden de volgende groepen onderscheiden:
.  de koningin 
.  de werksters: deze hebben verschillende functies in de mierenmaatschappij
•  soldaten die het nest beschermen of aanvallen uitvoeren
•  verkenners die foerageren om voedsel te vinden
•  verzorgers van de larven
•  luizenkwekers die luizen als soort 'koeien' houden (bijvoorbeeld bij de gele weidemier)
•  opslagvaten (honingpotmieren)
•  slavenhalers en -houders
•  voedselmakers. (onderverdeeld in verschillende typen, zoals soldaten, larvenverzorgers en de mannetjes.

 

DE WESP WERKT ZICH IN DE NESTEN
Het wespennest ziet er vaak een beetje vreemd uit qua kleur.
De wesp bouwt in het voorjaar op een heel kunstige manier zijn nest. Van houtsplinters en –schilfers kauwt zij een papje, vermeng het met speeksel, waardoor er een soort papierachtig bouwmateriaal ontstaat. Vanaf het plafond metselt zij een driekantige steel,
waaraan zij ondersteboven het eerste stukje raat bouwt, dat bestaat uit een klein aantal broedcellen. In elk daarvan wordt een eitje gelegd en vastgeplakt, zodat het er niet uit kan vallen. Als de larven na ongeveer een week zijn uitgekomen, voedt de koningin hen met tot brij gekauwde insecten ondertussen gaat zij gewoon door met de bouw van nieuwe broedcellen.

Wespen hebben hun nest in de grond, in holle bomen of als een bol bungelend aan een boomtak.
In de herfst is het nest leeg en kun je het voorzichtig uit elkaar pluizen. Je ziet dan dat het is opgebouwd uit materiaal dat veel lijkt op papier. De wespen maken dit materiaal uit stukjes schors en hout dat ze eerst fijn kauwen. Een wespennest bestaat uit verschillende afdelingen. De bovenste etage is het eerst gebouwd.

De wespenkoningin overwintert op een beschut plekje, bijvoorbeeld een boomspleet. Al vroeg in het voorjaar ontwaakt ze om te beginnen aan het stichten van een wespenstaat. De eerste weken bouwt ze de eerste etage van een nieuwe woning die bestaat uit kleine zeshoekige kamertjes (cellen) In elke cel legt de koningin een eitje. Als hieruit kleine larfjes komen moet de koningin op jacht. Ze vangt vliegen en muggen en kauwt die tot een vleespapje voor het jonge broed, dat uitsluitend vleesvoeding krijgt. Volwassen wespen snoepen veel zoetigheid zoals honing en limonade.

In het begin van de zomer zijn de eerste larfjes volwassen wespen geworden.
Zij helpen dan mee bij het bouwen van het nest en het verzorgen van het broed.
In het najaar is de wespenstaat tot vele duizenden leden aangegroeid. Met de eerste nachtvorsten sterven ze bij honderdtallen.

Sl
echts de koninginnen blijven over om in het volgende voorjaar weer nieuwe staten te stichten. Deze worden gevestigd in nieuwe wespenpaleizen. De ouden worden niet weer bewoond.




KNUS WONEN IN 'N KOKERTJE
Omdat kleine dieren het gevaar worden opgevreten te worden hebben sommigen hele slimme trucjes bedacht. Ter bescherming bouwt de kokerjuffer een draagbaar huisje. Hierdoor wordt het de vijand wel erg moeilijk gemaakt de kokerjuffer als maaltijd te verorberen. Ze maakt een buisvormig huisje waar ze inkruipt en met zich meedraagt. Afhankelijk van de soort larve zijn de huisjes gemaakt van
zand, stokjes of schelpen die bij elkaar gehouden worden door speeksel van de larve.