|
TERUG NAAR ALLE SAGENKNOPPEN ENKAART |
PLAAGGEESTEN |
WEERWOLVEN |
TOVENAARS |
ONGURE PLAATSEN |
|
|
|
|
.
|
Plaaggeesten zijn, m.u.v. de weerwolf, niet echt gevaarlijk en zijn er alleen op uit om de mensen de stuipen op het lijf te jagen. Vaak openbaarden deze geesten zich in de gedaante van een dier. Dat kan een weerwolf zijn of een nachtmerrie. Veel sagen zijn er niet over bekend.
Wel behoren de hee-mennekes eigenlijk ook tot de plaaggeesten,
maar deze verhalen staan
vermeld op de pagina demonensagen. Zij behoren tot de luchtgeesten, omdat
ze onzichtbaar waren. Maar dàt ze er waren, had je al snel in de gaten. Ze
konden verschrikkelijk irritant doen, die plaaggeesten. |
|
DE NACHTMERRIE IN HAAR BEDRIJF Nachtmerries rijden op mensen en op paarden. Van nachtmerries hebben sommigen heel veel last. Een nachtmerrie is een oud, lang wijf met magere armen, 's Nachts als je goed in slaap bent, komt ze er stil aan; menigeen heeft haar gezien, maar gehoord heb je haar nog nooit. Ze springt op je, knijpt je de borst en de hals dicht, zodat je doodsbenauwd wordt. Maar 't allerergst is, dat je niet kunt roepen, en je kunt je helemaal niet bewegen; geen vin kun je verroeren. Ze kunnen niet bij je komen, als je maar oppast. Als er niets voor 't bed staat, dan kunnen ze er langs. Als je pantoffels of schoenen voor 't bed zet met de tenen n aar
't bed toe, dan zijn ze dadelijk helemaal klaar. Maar als ze je andersom
zet, kunnen ze niets beginnen. Ondersteboven is ook goed. Kruislings is
nog beter; dan heb je nooit last. Maar 't allerbeste is, dat je wat meel
strooit; dat helpt zo goed. Kijk, ze mogen niet de minste kleinigheid
meenemen. En als er meel of krijt op de vloer ligt, dan kunnen ze zó licht
niet lopen, of er blijft wat hangen. Daar zijn ze wel zo vreselijk bang
voor!
|
|
|
|
|
|
GENDRINGEN In de buurt van Gendringen. vlak bij het openluchttheater Engbergen, moet vroeger in het bos een weerwolf hebben gehuisd. Het was dan ook erg gewaagd om bij nacht en ontij door dit bos te lopen. Een weerwolf immers viel de mensen aan en joeg in elk geval schrik aan. Het waren mensen in wolvengedaante, die hun ware gestalte weer moesten aannemen, wanneer ze gewond raakten. Dan kon men meteen zien voor wie men zich in de toekomst te hoeden had..... |
|
|
DIDAM Den olden Lubbers oet Diem vertellen is ne kaere, dat e met zien breur deur de Hei was elopene. Ut was in de earpelgraverstied en in de oelevloch. In dee tied hadde ze allemaole van die schedemesse bi-j zich. Zien breur leep veurop en toen zeg den opins: "wat hebt de boeren dat aerpelnloof toch op ut pad esmettene. Lubbers zelf leep der langs, maor zien breur schuppen ut van ut pad af. Maor ut was gin loof, wat daor eleagene had, maor ne waerwolf. En den sprong um metene op de rugge en wol um den hals dichte kniepen. Maor Lubers grep zien mes en halen day demn waerwolf ovver de rugge, dat der blood oetkwam. Ton mos de waerwolf loslaoten, want at e blood kwiet worden, verlaor e ziene macht. Bron: De oele röp - p.141 |
|
|
At un paerd ne nachtmerrie hef, dan geet ut ter wreed haer in den stal. Dan weltert e zich deur den stal hen. Ut is net as met ow zelf a'j hard schrikt, dan kroept ow de haöre op de kop. Alle beeste stonnen dan, a'j kwammen kieken en de manen van ut paerd zatten helemaols in mekare. ron: De oele röp - p.66 |
|
|
GENDRINGEN Een meisje van de kant van Voorst, woonde vlak legen de bosrand. Op een
avond was ze met haar vrijer naar Gendringen geweest, naar een bruiloft.
Het was snel laat geworden. Ze moesten op weg naar huis dwars door het bos
waarin de weerwolf huisde. Het was al na twaalven en het meisje was bang.
De jongen lachte er wat om. Hij geloofde niet aan weerwolven en had
helemaal geen haast om naar huis te gaan. Midden in het bos ging de jongen
even een boom opzoeken. Hij had flink wat bier gedronken en wilde zich van
het overtollige vocht ontlasten. Het meisje liep door, hij zou zo wel
nakomen. Ze liep nu vlug, omdat ze alleen was en bang. Elke keer keek ze
achterom of ze haar vrijer al zag aankomen. De angst dat ook de weerwolf
zou verschijnen, greep haar bij de keel. Ze begon hoe langer hoe harder te
lopen om veilig thuis te zijn. Toen ze nog eens omkeek, zag ze de lichte
ogen van een dier, dat haar achtervolgde. Dal moest de weerwolf zijn. die
haar achterna zat. De angst gaf haar vleugels en ze rende naar huis. Net
op hel moment, dal ze de achterdeur van haar ouderlijk huis, een
boerderij, wilde binnenglippen, greep de weerwolf haar bij de roodbaaien
rok. Ze rukte zich echter los, vloog de achterdeur in en deed de deur
stevig op slot. Binnen had de weerwolf geen macht. Volgens oud gebruik stond
op
de middenpaal van de deeldeur het oude maalteken, hel afweerteken tegen
alle kwade geesten. Ze hijgde nog van angst en van het harde lopen. Maar
ze was veilig.Opeens bedacht ze zich, dat haar vrijer nog in het bos liep, op zoek naar haar. Ze stond opnieuw doodsangsten uit, dat de weerwolf hem zou grijpen en kwaad doen. Het duurde een poosje, toen hoorde ze voetstappen bij het huis. Ze deed de deur open. Eerst heel voorzichtig op een kier en toen ze zag, dat het haar vrijer was, liet ze hem gauw binnen. Hem was kennelijk niets overkomen. Hij vertoonde namelijk geen enkel spoor van emotie. Het meisje vertelde hem in geuren en kleuren, wat haar was overkomen en ook, dat ze zich nog maar net had kunnen losrukken. De angst lag nog in haar stem, maar de jongen begon luidkeels te lachen om het verhaal. Met de mond wijd open. Voordat het meisje kwaad kon worden, omdat hij haar niet geloofde, schrok ze geweldig. Tussen zijn tanden, die hij lachend toonde, zaten rode draadjes. Draadjes van haar roodbaaien rok. Het was haar vrijer, die 's nachts als weerwolf door het bos bij Gendringen ronddwaalde. Aan hem was ze maar nauwelijks ontsnapt. En zoals te begrijpen is, wilde ze vanaf dat moment niets meer met hem te maken hebben. |
|
|
Tovenaars en heksen werden eeuwen geleden als aardige behulpzame
mensen beschouwd, eigenlijk een soort wonderdokters. Doordat ze erg in de
natuur geïnteresseerd waren, wisten ze altijd wel één of ander
natuurmiddeltje om de mensen te genezen. Tovenaars en heksen deden
eigenlijk hetzelfde goede werk, totdat de kerk er zich mee ging bemoeien.
Volgens
hen kon de 'boelschap' met de duivel, het hoogtepunt der duivelscultus, alleen door vrouwen bedreven worden. De kerk was
daarom fel tegen heksen gekeerd omdat ze volgens hen een verbond met de
duivel hadden gesloten. Als er een kind dood ging of er werd een koe
ziek, dan moest toch 'iemand' de schuld krijgen? Dus.... dat hadden de
heksen het dus gedaan. Vreemd genoeg kreeg een tovenaar nooit de schuld. Tovenaars
konden mensen in hun macht krijgen en zelfs 'op slot' zetten. Ook in
de Achterhoek woonden tovenaars. In Overijssel hadden bepaalde families
'toverboekjes'. In de Gelderse sagen ben ik dit niet tegengekomen.
|
|
|
GELSELAAR - DE ZIENER STEFANUS Stefanus, een profeet uit de tijd van Napoleon was een Hongaarse ziener die in Gelselaar woonde. De Hongaren hadden een, voor die tijd een indrukwekkend uiterlijk. Geschikt om het volk te doen geloven dat zij met de duivel een verbond waren aangegaan. Gebruind door weer en wind met een door littekens gekerfd gelaat warenzij gekleed in wijde schoudermantel en droegen hoge laarzen en breedgerande hoeden. Het volk noemde de Hongaren de berfesolskerels. De Hongaar Stefanus was ook wonderdokter maar kon meer als alleen zieken genezen. Als iemand behekst was gaf hij raad en ging de heks te lijf met allerlei toverspreuken. Van heinde en verre kwamen de mensen naar Stefanus. Bron: De Achterhoek en de Liemers |
|
|
LAREN WONDERDOKTER FELDHAUSEN Tovenaars waren veel gemoedelijker lieden, zoals bakker Feldhausen in Laren, een vermaard wonderdokter. De knecht van de schoenmaker was gevallen. Hij was er zo naar aan toe, dat zijn collega hem met een kruiwagen naar de wonderdokter reed. Feldhausen bestreek en belas de wonden, en op de terugweg kruide de patiënt de ander naar huis. Toen Feldhausen naar de markt in Deventer wilde werd hij onderweg besprongen door een rover. 'Sta!' riep hij. De man bleef staan als een zoutpilaar. Verderop kwam de tovenaar langs de Drie Kieften. Hij vroeg de mensen daar even naar de rover te gaan om te zeggen dat die nu wel weer verder mocht lopen. Bron: De Achterhoek p.243 |
|
|
LAREN VAN BRUSSEL Meer schrikaanjagend was de figuur van de oude heer Van Brussel in Laren, die als officier van gezondheid de slag bij Waterloo had meegemaakt. Hij kon iemand helemaal in zijn macht krijgen, zei men, en hij ging elke vrijdag naar het kerkhof om hardop met zijn gestorven vrouw te praten. Bron: De Achterhoek p.244
|
|
|
LAREN - FELDHAUSEN Dezelfde Feldhausen liftte eens met een boer, maar onderweg werd het paard kreupel. De bakker genas het even. Daarna gingen boer en bakker bij diverse herbergen aan en tenslotte kregen ze ruzie. De belezer nam wraak. Hij maakte het paard weer kreupel. Bron: De Achterhoek p.243 |
|
|
AMPSEN
In de buurt van
Ampsen moet trouwens een boer hebben gewoond die nog veel sterker
staaltjes kon laten zien. Hij kon zich zo maar in een kat veranderen en
midden in de zomer kon hij sneeuw door de schoorsteen gooien. |
|
|
Doordat de straten vroeger nog niet verhard waren, en men vaak te voet
ergens naar toe moest, hoorde men vaak 'enge' onverklaarbare geluiden.
Zeker als je in de buurt van een kolk of galgenbelt kwam. De fantasie
sloeg dan op hol en als je thuis kwam, moest je je verhaal kwijt. Ook op
offerplaatsen en begraafplaatsen gebeurden er de meest griezelige dingen.
Bij volle maan kwamen daar de heksen en duivels bij elkaar om te
vergaderen en na afloop met elkaar te dansen. |
|
|
HUMMELO - DE WRANGENBULT Nu is er den Wrangenbult (de naam wrang voor konijnenhol wijst er reeds op) het gebied van witpluimige langoren, die er hun huppelende morgen- en avondwandelingetjes maken, maar de rest van een langs het pad nog te vinden "geiselpaol" getuigt ervan, hoe tot in den Franschen tijd op deze hoogte "gericht" werd door de Heeren van Keppel, die sedert 1374 de hooge en lage jurisdictie uitoefenden. Het feit nu, dat de tegenwoordige Wrangenbult oudtijds een gerichtsplaats geweest is, gevoegd bij de omstandigheid, dat bij menschenheugenis hier de Keppelaren en Hummeloërs elkaar slag plachten te leveren, dat hier bij herhaling ook de jeugd der beide dorpjes elkaar bevocht, brengt voor mij dezen Keppelschen Wrangenbult op hetzelfde plan als de Terborgsche "Richtersbult", waarop de machtige bannerheeren van Wisch hun gevangenen terecht stelden. Bron: www.volksfeesthummelo.nl |
|
|
DE KATTENBELTEN Twee boerderijen in de buurt van de Kattenbelt heten Brandenburg, hetgeen op het verbranden van doden zou kunnen slaan, maar het is waarschijnlijker dat het op een brandontginning slaat, ïn elk geval zullen daar de heksen hebben gedanst, net als op de Kattenberg in Meddo, de Kattenkolk bij Barchem en het Kattingsveld in Vorden. In Barchem zegt men overigens dat in de Kattenkolk de jonge poesjes werden verdronken. En wat te zeggen van de Godsbelt of Oldengod in de buurt van de Zonnebelt? De naam is later overgegaan op een boerderij. Bron: De Achterhoek p.219 |
|
|
MONTFERLAND DE GALGENBERG ![]() Langs de Zwarte Kolk gaan we naar de Galgenberg, niet ver van Montferland verwijderd. Eigenlijk is dit geen oord om er in de schemer langs te gaan, want hier stond eertijds de galg. Bron: Willy H.Heitling Blijkens oude tekeningen stond er een wipgalg, als symbool van het recht der criminele justitie van de heren en graven van den Bergh. Nergens uit blijkt , dat deze galg daadwerkelijk is gebruikt. In 1772 is de galg verdwenen. Bron: Bergh Puntsgewijs |
|
|
BEEK - DE RIJSBERG Op de Rijsberg stond de brandstapel, waar ooit heksen, tovenaars en andere bijzondere lieden ter dood werden gebracht. Bron: De Achterhoek |
|
|
BEEK - DE ZONDEKOLK In het boek Achter Rijn en IJssel vond ik dit stukje tekst. Als kind van ca. 10 jaar kwam ik er af en toe met een vriendinnetje. Ik vond het een 'ongure' maar wel erg spannend plek om te spelen. Mocht iemand de sage van de uil kennen, dan hoor ik het graag. (webmaster Marianne) Zo is daar ook nog de Uilensage van de Zondekolk. Men fluistert en fluistert, maar niemand weet er het fijne meer van. Die Zondekolk is vlak bij, dus daar gaan we nog even kijken, al is er niet veel bijzonders meer aan te zien. Het is een diepe inzinking in het terrein en de kolk is nu geheel begroeid met donkere sparren. Onderin is de bodem nog wat vochtig en als men de vinger in de bosgrond steekt, loopt het kuiltje langzaam vol water. In regentijd staat er zelfs nog wel eens een beetje water. Eens heeft die kuil tot aan de rand toe vol water gestaan, zelfs zo vol dat het water over de weg liep. Men zegt dat de kolk is leeggestroomd, toen er aan de Beekse tol een put werd geboord en men een leembank moest stukbreken. Het grondwater nam daarna een andere weg. Nu is de kolk droog en zelfs die Uilensage is zo goed als verdwenen. Bron: J.G.Voss p.138 |
|
![]() |
|