| |
|
|
.
|
De Gelderse kastelen
Rond het jaar 500 was het erg onrustig in het land. Rovers, ridders
en bandieten stroopten hele buurten af om eten en waardevolle spullen te
roven. De arme mensen konden zich niet weren, maar de rijken bouwden ter
bescherming van hun goederen sterke kastelen met hele dikke muren, het
liefst omringd door een kasteelgracht met ophaalbrug, zodat boeven,
plunderaars en ander gespuis geen kans kreeg hun bezitting te veroveren.
De rijken kregen later de plicht opgelegd, de burgers in hun buurt te
beschermen. Geld hadden de burgers niet, maar in ruil voor bescherming
voorzagen de boeren de kasteelheer van voedsel. Als er gevaar dreigde,
konden de burgers bij de kasteelheer aankloppen, als dank voor die
bescherming hielpen ze mee hun gebied te beschermen tegen de
binnendringende bandieten. De meeste kastelen waren 1 uur-gaans van elkaar
verwijderd, zodat men bijtijds elkaar kon waarschuwen voor het naderende
gevaar.
|
.
HARREVELD - FREULE VAN
DORTH
Dat de mensen bij al
deze geruchten danig in de war raakten behoeft geen betoog. Er gebeurden
allerlei ongelukken; menigeen moest onderduiken en freule Judith heeft er
het leven bij ingeschoten. Deze freule Van Dorth, van wie wordt gezegd dat
zij nog steeds in nachtelijke uren in de omgeving van Harreveld
rondspookt, was geen gemakkelijke tante. Haar vader behoorde tot het ras
van edellieden, dat zich amuseerde door uit de ramen van het huis
Harreveld op zijn onderzaten te schieten. Ze was al eens uit de gevangenis
van liet Zutphense stadhuis ontsnapt en men zei dat ze met behulp van haar
broer pa had doodgeplaagd. Al met al behoorde ze tot het type mensen dat
onontkoombaar het slachtoffer moet worden bij dergelijke gelegenheden.
Uit het vonnis van de
Militaire rechtbank te Winterswijk van 21 november blijkt, dat zij heeft
bekend de oranjevlag van de toren van het huis Harreveld te hebben
uitgestoken. Via Zwolle was ze naar Groenlo gegaan 'volop met oranje
versierd'. Tegen een burger die Vivat de Republiek riep zei ze 'Wagt
manneke, wij zullen u wel krijgen'. En verder had ze dingen geroepen als
'ze moeten allen kapot'.
Dat de doodstraf
allesbehalve menslievend is voltrokken staat wel vast, niet alleen uit de
verklaringen van ooggetuigen maar vooral uit de manier waarop de richter Paschen zich naderhand heeft trachten te verontschuldigen. Op een plaats
nabij het tegenwoordige stationsplein van Winterswijk is het vonnis
voltrokken. De kapitein,, zeggen de ooggetuigen, was dermate in zijn
gemoed getroffen dat hij de hand voor de ogen hield en het hoofd
omdraaide. Zes schoten knalden. 'Der doorschotene, hier en daar gekwetst,
doch in geene der kapitale levensdeelen getroffen, stroomde het bloed wel
uit de vele toegebrachte wonden, maar zij bleef levend en worstelde, dus
in het zand liggende, met de smarten des doods'. Men legde haar in de
kist, maar dood was zij nog niet, want zij 'strekte hare ene hand nog ten
hemel'. Een soldaat schoot nog eens in de kist, bij wijze van genadeschot.
Maar daarbij vloog de zijden japon van de freule in brand. Soldaten
blusten dat brandje in de lijkkist door water in hun steken te halen. Het
bloed droop uit de kist. De freule is in de hervormde kerk van Lichten
voorde begraven. Ontroeren kan de geschiedenis van de freule Van Dorth ons
niet meer. In Wereldoorlog II zijn er om minder op een beestachtige manier
ter dood gebracht. Het weinig verheffende verhaal zal bovendien wel wat
zijn overdreven. De richter Paschen heeft naderhand gezegd dat zij wel
terstond dood was. Maar hij geeft het lossen van het genadeschot toch toe.
Bron:
De
Achterhoek p.107
|
DOORWERT - MECHTILD EN
BEREND
Berend diende de Rijngod. Op een dag kwam een monnik hem vragen of hij een
kapelletje mocht bouwen op het land van Berend. Deze stemde schoorvoetend
toe. De Rijngod was hierover zo verbolgen dat hij Berends wonderschone
vrouw Mechtild in de Rijn liet verdrinken. Verscheurd door verdriet leidde
Berend een wegkwijnend bestaan in zijn kasteel. Totdat op een avond een
reisgezelschap om onderdak vroeg. In de vrouw van een ridder herkende
Berend zijn overleden Mechtild. Later op de avond, toen hij dronken was,
kuste hij de vrouw. Hierop daagde de ridder Berend uit tot een gevecht.
Plots leidde een bliksemflits de aandacht van de ridder af en sloeg Berend
hem dood. De vrouw en haar gevolg vertrokken en Berend werd door angsten
gekweld. 's Nachts lag de vrouw in wie hij Mechteld herkende naast hem in
bed, met een bloedend zwaard tussen hen in. Sinds de dood van Berend
zweeft zijn geest elke avond door de kasteeltoren.
Bron: artikel in De
Gelderlander 2002
|
DIDAM DE SAGE
VAN DE NEVELHORST
Sagen en legenden zoekt men bij voorkeur in een romantische omgeving en
het vlakke land van de Liemers mist elke romantiek. Toch zit het vol met
oude volksverhalen, welke bijna alle verband houden met verdwenen
kastelen. En er hebben er nogal wat gestaan daar in het Liemerse land. Zo
lagen rond Didam: de Manshorst, de Lunshorst, de Eng, Meurs, Nevelhorst,
enz. En een van de bekendste sagen is wel die van de „Freule van de
Nevelhorst".
Op de Nevelhorst woonde omstreeks 1100 een edelman, die
slechts één schone dochter had. Deze jongedame betoonde zich verzot op
feesten en dansen en was nogal lichtzinnig van aard. Toen dan ook haar
vader een tocht naar het Heilige Land wilde maken om tegen de Turken te
gaan vechten, zorgde hij er voor dat Fredegunda getrouwd was met Diederich,
de heer van Manshorst, zodat die een oogje in 't zeil kon houden. Maar na
enkele jaren kwam de tijding dat de heer van de Nevelhorst gesneuveld was,
waarop Diederich ter kruisvaart toog om zijn schoonvader te wreken.
Fredegunda beloofde haar man bij zijn vertrek eeuwige trouw, maar toen er
jaren voorbij gingen zonder dat er bericht van hem kwam, brak zij haar
eed. Ze besloot zelfs om te hertrouwen en er daagden heel wat ridders op
die naar haar hand dongen. De keuze was moeilijk voor Fredegunda en daarom
besloot ze een toernooi te houden en aan de overwinnaar zou ze haar hand
schenken. Nu vecht het om niets zo goed als om de gunst van een vrouw, dus
ging het heet toe daar in dat toernooi. Op het laatst bleef er een ridder
over, die al de anderen verslagen had en Fredegunda was al van plan hem
als haar gemaal te verwelkomen, toen nog een ridder het strijdperk
binnenreed in een gouden wapenrusting met een rood kruis op de borst.
„Op leven en dood" riep hij en stortte zich op de tegenstander. Een
geweldig gevecht ontstond dat tenslotte eindigde in een overwinning van de
laatst aangekomen ridder.
Fredegunda was nu genoodzaakt met hem te trouwen, maar aan het
bruiloftsmaal wilde hij de helm niet afzetten en ook niets eten of
drinken. „Te middernacht zult ge zien wie ik ben", zei hij met holle stem.
En toen de torenklok van Didam zijn twaalf slagen had laten klinken, stond
de bruidegom op en lichtte de helm. „Hier is Diederich", zei hij, „en die
eist zijn recht". Hij nam Fredegunda in zijn armen en danste met haar,
terwijl zijn doodsbeenderen in het harnas rammelden. Toen scheurde de
vloer en beiden verzonken in een spleet van de aarde. Niemand heeft ooit
weer een voet in het kasteel gezet; het werd tot een ruïne en er is geen
steen meer van te vinden.
Bron: De Achterhoek
|
VORDEN - DE WILDENBORCH -
DE GEEST VAN ELEONORA
Achter in de tuin van Staverden (de vroegere Pauwenhof) ligt een eilandje
in een vijvertje, dat van oudsher Eleonore's Pol werd genoemd. Bij
maanlicht loopt daar handenwringend om haar ontstolen geluk, een in het
zwart geklede vrouw rond. Het is de geest van Eleonora. Zij leefde op de
Wildenborch, een van de acht kastelen van het Achterhoekse Vorden. Zij had
trouw beloofd aan een ridder die op kruistocht ging. Terwijl haar beminde
in verre landen vertoefde, vatte een andere ridder liefde voor haar op,
maar Eleonora bleef haar gegeven belofte trouw.
Op een kwade dag kwam de ridder terug uit het Heilige Land. Hij werd
opgewacht door de ander, die ook Eleonora wilde bezitten en voordat de
jonkvrouw haar geliefde in de armen kon sluiten, had de jaloerse minnaar
de kruisridder vermoord. Nu wilde Eleonora nog minder weten van deze
eerloze man. Zij vluchtte en stelde zich onder bescherming van de heer van
Staverden. Ze sleet er haar levensdagen, in het zwart gekleed, treurend om
haar zo wreed omgekomen geliefde. Zelfs de dood maakte geen einde aan haar
rouw. Het huidige kasteel Staverden is een mooi wit, uit het water van de
grachtvijver oprijzend gebouw. Het is in de vorige eeuw vrijwel geheel
nieuw opgetrokken.
Bron: Gelderland Monumenteel
|
|
BABBERICH - KATEEL HALSAF
In de buurt van Babberich liggen nog een paar havezaten, zoals bijv.
Camphuysen, dat nog steeds bewoond wordt en een vriendelijke indruk maakt
en huis Halsaf, waaraan een schoon verhaal is verbonden van een dappere
dienstmaagd. Het is hetzelfde verhaal van het 'Huis met de hoofden' uit
Amsterdam. Uit de tijd, toen het op het platteland niet erg veilig was. De
familie van Halsaf was ergens op bezoek en alleen een dienstmaagd was
thuisgebleven om op have en goed te passen. Juist op die avond besloot een
troep bandieten het huis te overvallen door een gat in de muur, waardoor
ze één voor één naar binnen zouden kruipen. Maar de dienstmaagd hoorde
gerucht buiten en stond met een scherp zwaard op wacht. En telkens als een
van de rovers naar binnen kroop, sloeg ze hem vakkundig het hoofd af. Toen
de adellijke familie 's avonds thuiskwam, stonden er zeven hoofden op een
rijtje boven op de kast en het meisje vertelde in geuren en kleuren wat er
allemaal gebeurd was. Sindsdien heet dit huis bij Babberich Halsaf. Een
schoon verhaal, waarbij natuurlijk wel enkele vraagtekens zijn te
plaatsen, omdat dieven niet zo gemakkelijk één voor één naar binnen
kruipen om zich daar het hoofd af te laten hakken. Maar dat zijn van die
kleinigheden, waaraan het volksverhaal zich niet stoort. Dit gebied, rond
Babberich, maar ook de gehele Liemers, zit trouwens toch stikvol met oude
verhalen.
Bron: Achterhoek en Liemers
|
LAREN - HUIS VERWOLDE
Het huis Verwolde moet lang geleden een sterke burcht geweest zijn, met
drie diepe grachten omgraven. en omsloten door drie hoge wallen, die
met hagendoorn begroeid waren. Dag en nacht zat er in de toren een wachter
op de uitkijk, want het waren tijden van oorlog. Vooral met de ridder van
het kasteel Arkelstein bij Bathmen leefde de heer van Verwolde in
voortdurende twist. Eenmaal heeft de melkmeid van het kasteel echter een
poortje open laten staan, en zo is de vijand toch binnengekomen.
Bron: Oud-Achterhoeks Boerenleven
|
MONTFERLAND ZEDDAM OF
ELTEN - ADÈLE VAN UPLADE
In de vroege middeleeuwen behoorde Hoog-Elten tot het gebied van de
gouw-graven van Hameland en in het jaar 963 stichtte Wichmann boven op de
Elterberg een klooster voor nonnen van adellijke bloede ter ere van de
heilige Vitus. Deze Graaf Wichmann had geen zoons, zodat zijn geslacht zou
uitsterven. Vermoedelijk werd dit klooster gesticht op de plaats waar hij
woonde. Zijn dochter Luitgardis werd de eerste abdis. Maar het is niet
deze dochter van Graaf Wichmann, die geschiedenis heeft gemaakt, maar een
andere, Adèle, zij het dan ook een weinig verheffende geschiedenis.
Deze Adèle, die ouder was dan Luitgardis, was gehuwd geweest en had twee
zoons: Meinwerk, de latere bisschop van Paderborn, en Dietrich. In 995
huwde Adèle opnieuw, thans met Graaf Balderich. Adèle moet volgens de
kronieken nu niet bepaald een vlekkeloos leven geleid hebben en daarover
moest ze natuurlijk van haar familieleden nu en dan het een en ander
horen.
Haar vader was in 983 gestorven en Dietrich had een zo groot gedeelte van
de erfenis gekregen, dat Adèle er niet mee akkoord kon gaan. Ook tegen de
gedane schenkingen aan het klooster van Hoog-Elten had ze haar bezwaren
kenbaar gemaakt en de twist liep zo hoog, dat ze, toen ze weer getrouwd
was met de dappere en machtige Graaf Balderich, deze bewoog verschillende
bezittingen van het klooster te bezetten. Dit had ze reeds eerder
geprobeerd, toen haar zuster Luitgardis was gestorven (vergiftigd door
Adèle?), maar toen kwam ze in conflict met de duitse keizer Otto III. Ook
de tweede poging weer vaste voet op de Elterberg te krijgen mislukte, nu
door toedoen van keizer Heinrich II.
Al deze gebeurtenissen hadden de verhouding tussen Adèle en haar zoons
zozeer vertroebeld, dat ze Dietrich onder een voorwendsel naar de burcht
Uplade lokte en hem daar liet vermoorden.
Het gerecht in Dortmund veroordeelde de moordenares ter dood, maar op
voorspraak van haar oudste zoon, bisschop Meinwerk, werd ze begenadigd, op
voorwaarde van afstand van verschillende goederen. Een jaar of vijf ging
het nu goed, maar toen kreeg het echtpaar het aan de stok met Graaf
Wichmann van Vreden, die daar op een oude koningshof van de Saksenhertog
Wittekind woonde. Een ogenblik scheen het dat ze het eens zouden worden,
want een erfeniskwestie plaatste hen aan dezelfde kant, maar dit bleek
maar schijn. Balderich nodigde Wichmann uit hem in zijn burcht Uplade te
komen bezoeken, aan welke uitnodiging Wichmann gehoor gaf. Gravin Adèle
ontving de gast allerhartelijkst, maar ondertussen koesterde ze
moordplannen. De eerste poging daartoe - ze had beraamd hem tijdens de
maaltijd te vergiftigen - mislukte, maar toen Wichmann na enkele dagen
weer vertrok, zond ze hem een paar man achterna, die hem enkele kilometers
van de burcht vermoordden. Zijn lijk werd in Vreden in de grafkelder
bijgezet.
Deze laffe moord wekte een storm van verontwaardiging. Allerwegen eiste
men en het duurde dan ook niet lang of de burcht Uplade werd van alle
kanten aangevallen. Balderich had reeds op het eerste alarm de benen
genomen, maar Adèle leidde de verdediging van haar burcht. Veel hulp had
ze niet en om het aantal verdedigers groter te laten schijnen, liet ze ook
alle vrouwen een helm dragen. Pas toen Adèle vernam dat de duitse keizer
een leger naar Uplade had gezonden, toonde zij berouw en vroeg nederig om
'vergiffenis. Na veel vijven en zessen werd haar die geschonken, maar het
echtpaar werd verbannen uit de streek. De burcht Uplade werd verwoest.
luidt het verhaal van Adèle, een echt middeleeuws verhaal vol van moord
doodslag. Waar de burcht Uplade gelegen heeft is tot op heden nog niet
piekend. Als plaats wordt wel aangewezen de Houberg bij Elten, maar ook de
Montferland bij Zeddam. Op beide heuvels hebben ringburchten gelegen.
Bron: De
Achterhoek p.62
|
RUURLO - DE JONKER EN HET
JODENMEISJE
In het midden van de 14de eeuw brak in Europa de pest uit en deze ziekte
verspreidde zich ook in de Achterhoek. Zoals van zoveel dingen kregen de
Joden de schuld van deze bezoeking. Een aantal van hen vluchtte uit het
Rijnland naar Ruurlo en kreeg van de jonker van Roderlo toestemming om
vlak bij het kasteel hun kamp op te slaan. Onder hen bevond zich Abraham,
de leider van de groep, met zijn schone dochter Mirjam. Een korte poos
maar kenden ze in Ruurlo rust. Toen werden ze ontdekt door fanatieke
vervolgers uit Zutphen, die hen overvielen en de meesten van hen doodden.
Alleen Abraham en zijn dochter konden een toevlucht vinden binnen het
kasteel, waar de jonker hen beschermde. En al gauw werd de schone Mirjam
de minnares van de jonker.
De achtervolgers echter hadden de gevreesde pestziekte meegebracht. Het
water van de
beek was besmet en enkele bewoners uit de buurt stierven.
Toen werd al gauw rondverteld, dat de Joden uit het kasteel het water van
de beek hadden vergiftigd. Het volk eist de uitlevering van hen, maar de
jonker weigert en het moet morrend toezien hoe de beide Joden op het
kasteel bescherming blijven genieten. Dat alles is echter tegen de zin van
de moeder van de jonker. Ze bezweert haar zoon bij hoog en bij laag het
niet te houden met een veracht Jodenmeisje, al is ze nog zo schoon. Hij
kan wel een andere bruid krijgen. Een rijke erfdochter uit de buurt. Maar
dan moet hij afstand doen van zijn Joodse minnares. De jonker aarzelt. Hij
wil eerst hierover met Mirjam spreken. Die weet wat het lot is van meisjes
zoals zij. Ze verwacht een kind van hem en het is: 'Kort geluk en lange
schande'. Maar ze stemt toe. Onder één voorwaarde, namelijk dat haar vader
niet zal worden uitgeleverd en gedood. Dat is het oogmerk van de moeder
van de jonker. Als hij deze afspraak zal schenden, zal hij ook sterven,
zweert Mirjam. De jonker belooft dit. Maar zijn toekomstige bruid is
alleen bereid met hem te trouwen na de dood van Abraham en van zijn
dochter. Hij breekt zijn woord, laat Abraham doden, maar Mirjam laat hij
heimelijk ontsnappen. Het gerucht gaat. dat ze in de beek is verdronken.
Na enige tijd wordt de bruiloft met grote pracht en praal gevierd. De
bruid beschikt immers over veel geld en er zijn veel genodigden Van heinde
en verre komen de gasten om het feest te vieren. Nadat de
huwelijksplechtigheid js voltrokken en het feest in volle gang is. meldt
een dienaar aan de jonker, dat er een heidin is aangekomen, die het
bruidspaar de toekomst wil voorspellen. Dat wordt haar toegestaan en
gesluierd treedt de ze binnen, ze wordt met gejuich begroet en als de
toekomstvoorspelling gunstig zal luiden. zal ze rijkelijk worden beloond.
Het eerst is de bruid aan de beurt. De heidin vat haar hand, leest in de
lijnen en zegt: ."Maagd, vrouw en weduwe. Op één en dezelfde dag." De
schrik van de bezoekers is groot. ...Je liegt, wijf" schreeuwt de jonker
en grijpt haar bij de arm. De heidin slaat haar sluier terug en...
"Mirjam'' stamelt de jonker. „Ja" zegt ze dan. ..Ik ben terug gekeerd om
jou nog eenmaal te zien, die mijn minnaar was en om je te herinneren aan
de belofte, die aan mij is gegeven, maar gebroken."
Ze drukt hem tegen zich aan. slaat de armen om zijn hals en drukt een
gloeiende kus op zijn lippen. „Deze kus is de laatste, die ik je geef De
Zwarte Dood heeft mij ook aangetast en met deze kus heb ik mijn vader
gewroken". Dan zakt ze in elkaar, temidden van de gasten, die ijlings hel
kasteel ontvluchten. De jonker blijft. Hij weet dat er geen ontkomen is en
sterft nog diezelfde dag.
Bron: Sagenboek
|
VORDEN - HET HUISJE BIJ
HACKFORT
Bij het kasteel De Hackfort heeft eeuwen geleden een huisje
gestaan zonder ramen. Het huisje was gebouwd uit dankbaarheid. Een telg
uit het geslacht Hackfort wilde in zijn jeugd niet deugen. Op zeker moment
liep hij zelfs van huis weg en trok als muzikant de wijde wereld in. Hij
moet tot in Parijs gekomen zijn, waar hij een blinde minstreel ontmoette.
De oudere en de jonge man vatten vriendschap voor elkaar op en trokken
samen verder. En omdat de oude een groot aantal balladen kende, terwijl
hij bovendien een prachtige stem had, hadden de twee een redelijk bestaan.
In die dagen was het bijna onmogelijk om niet in een of ander oorlogje
terecht te komen als je een zwervend leven leidde. Zo ging het ook met ons
tweetal. Het raakte tijdens een van die woelingen zelfs gescheiden. De
jonge man wist niet beter of zijn oudere kameraad was omgekomen en ging
bedroefd naar huis in Vorden. Hij werd door zijn ouders met open armen
ontvangen en onttrok zich nadien niet meer aan zijn verplichtingen als
edelman.
Enkele jaren later was hij officier in het leger van de hertog, tijdens
een veldtocht in Brabant. Op een avond hoorde hij in het kamp een zingende
stem die hij uit duizenden zou herkennen. Het was zijn vriend de
minstreel. Uit dankbaarheid voor alles wat deze man tijdens zijn wilde
jaren voor hem had betekend, nam hij hem mee naar de Hackfort. Op het
landgoed liet hij een huisje voor de minstreel bouwen. En omdat deze man
blind was, hoefde een dergelijk huisje geen ramen te hebben - zo
redeneerde men in de middeleeuwen.
Bron: Gelderland Monumenteel
|
|

|

DOETINCHEM - AAN DE HAAK
GESLAGEN
Eens tuimelde een leidekker van de stad Doetinchem van het dak van de
grote kerk naar beneden. Wonder boven wonder bleef hij onderweg met één
van zijn schoenen haken aan een uitstekende kram. Dat redde hem het leven.
En omdat zoiets niet iedere dag gebeurt, bleef de datum in de annalen
bewaard: 22 mei 1683. de schoen van de leidekker is te zien in het
streekmuseum De Kelder. Eigenlijk had de reddende kram daar ook een
plaatsje verdiend. De kelder bewaart derhalve de curieuze leidekkersschoen
vele herinneringen uit het verleden. Oud oorlogstuig maar ook materiaal
voor vrediger gebruik; vuurplaten, beddepannen, boerenklokken. Het is een
mengsel van historie en folklore.
Bron: Achterhoek en Liemers
|
|
DOETINCHEM - HET KLOOSTER BETHLEHEM
Johannes en Hermanus van Bredevoort boden magister Franco rond 1180 de
kerk te Varsseveld aan om er een klooster van te maken. Franco gaf echter
de voorkeur aan een plek ten oosten van Doetinchem en stichtte hier het
klooster Bethlehem.
|
DREMPT - TWEE BEELDJES

Keizer Karel wordt ervan verdacht het kerkje te Drempt te hebben gesticht.
Ter ere daarvan zijn er twee beeldjes van Karel en ‘zijn’vrouw in de muur
ingemetseld. Nu is het nooit met zekerheid te zeggen welke vrouw van Karel
de Grote het geweest is, want hij heeft er wel vier of vijf gehad. Ik houd
het echter op Sibille.
Aan haar is een episch gedicht gewijd, dat door Elisabeth van Nassau-Saarbruecken (1395-1456) in het Duits is vertaald.
Bron: Gelderland monumenteel
|
DINXPERLO - HET KLEINSTE KERKJE VAN NEDERLAND: TE
RIETSTAP
In 1909 erfde de Haagse notaris Mr. Theodore Marie Theophille te Rietstap
van zijn oom het landgoed De Rietstap. Het testament bepaalde dat hij van
het geld een kapel moest bouwen met daarin een schilderij voorstellende de
kruisiging van Christus. Het bedrag dat overbleef mocht neeflief zelf
houden. Theodore te Rietstap voldeed op een opmerkelijke wijze aan de
gestelde voorwaarden. Omdat verzuimd was testamentair de afmetingen vast
te leggen, liet hij een godshuisje bouwen met een lengte van slechts 6,40
meter, een breedte van 4,5 meter en een hoogte van 5 meter. Aan de
slimheid en krenterigheid van de notaris dankt Dinxperlo nu het kleinste
kerkje van Nederland. Het neogotische stulpje in zakformaat is nooit voor
de eredienst gebruikt. Het deed dienst als bergruimte en kippenhok.
Tegenwoordig is er een kunstgalerie in gevestigd. Toen het landgoed in
1984 plaats moest maken voor een bedrijventerrein, is het kerkje
afgebroken en op een steenworp afstand steen voor steen weer opgebouwd.
Het schilderij van de kruising verhuisde in 1978 mee met de laatste
bewoner van het landgoed naar Groningen. In het kerkje hangt nu een
reproductie.
Bron: Het toppunt van Nederland - Aad Struys p.104
|
|
De legende
Een legende is de
beschrijving van het leven van 'n heilige. Vaak wordt er een wonder in
beschreven, hier en daar aangevuld met fantasieverhalen. In kloosters werd
vaak tijdens de maaltijden voorgelezen uit boeken met levensbeschrijvingen
van heiligen.
De betekenis van het woord legende is uitgebreid naar allerlei soorten
verhalen die als waar gebeurd doorverteld worden. Ze zijn lang niet altijd
historisch te bewijzen, zelfs hier en daar door de verteller wat aangevuld
met de eigen fantasiebeleving.
|
GROENLO BUURTSCHAP ZWOLLE
- HET W0NDERKRUISJE VAN REIJERINK
In de buurtschap Zwolle bij Groenlo zat in een eikenboom een ravennest. Het
zat er al enkele jaren, maar nu waren de oude raven druk bezig het nest te
herstellen in het vroege voorjaar. Ze vlogen af en aan en eindelijk zag
het er naar uit, dat het vrouwtje ging zitten broeden op de eieren. De boer
van het Reijerink vond het maar niks, die grote vogels bij zijn huis.
Dieven waren het, anders niks en het liefst had hij het nest uit de boom
verwijderd. Maar dat kon nu niet meer, want vrouw en kinderen zouden
daartegen protesteren. En ook de knecht.
De boer was erg zuinig en het werkvolk kreeg maar karig te eten, als het
aan hem had gelegen. Nu liep het tegen Pasen en de knecht, die elke keer
omhoog keek naar het ravennest in de eik, wilde wel eens weten, hoever het
met de eieren stond. Hij klom in de boom en keek voorzichtig over de rand
van het nest, toen ook het vrouwtje was wéggevlogen van het nest. Beneden
stond de boer te kijken. 'Ik geloof, dat de eieren nog voor de Pasen
uitkomen,' zei de knecht, toen hij weer beneden kwam.'Dat kan nooit,' was
het antwoord van de boer. 'Dat is veel te vroeg.' Maar de knecht hield
stijf en strak vol, dat ze dan wel uit zouden komen. Ze kregen daarover
woorden en het liep uit op een weddenschap. Als de eieren op Goede Vrijdag
niet zouden zijn uitgekomen, had de knecht zijn jaarloon verspeeld. Kwamen
ze op die dag of voordien wel uit, dan verspeelde de boer zijn beste koe.
Dat kon hij best wagen, vond de boer, want hij had nog nooit gehoord, dat
een ravennest zo vroeg uitgekomen was. Onder het werk dacht de boer, dat
hij toch nog wel een beetje risico liep. De knecht was zo zeker geweest
van zijn zaak. Je kon nooit weten. En omdat hij liever niet zijn beste koe
verspeelde, bedacht hij een minne streek.
Eens toen de knecht alleen op het land was en verder niemand het kon zien,
kroop de boer moeizaam omhoog naar het ravennest. Voorzichtig haalde hij de
eieren uit het nest en nam ze mee naar beneden. In de keuken, waar het
vuur van de haard volop brandde, hing een waterketel boven de vlammen. Het
water was goed heet en een voor een stopte hij de eieren in het bijna
kokende water. Toen nam hij ze weer mee naar buiten en legde de eieren
terug in het nest.'Ziezo,' dacht hij grijnzend, 'die komen zeker voor de
Pasen niet meer uit.'
Hij ging daarna gewoon weer aan zijn werk en deed of er niks gebeurd was.
Het was Goede Vrijdag en de boer zei tegen de knecht: 'Als de26 eieren
vandaag niet uitkomen, heb je je jaarloon verspeeld,' en bij zich zelf
dacht hij, dat hij zijn knecht mooi te pakken had gehad.
'Ik zal eens gaan kijken,' zei de knecht. Hij klom omhoog, tot hij weer
over de rand van het nest kon kijken. 'Zitten er al jongen in?' riep de
boer van beneden. Net keek de knecht over de rand van het nest. 'Er zitten
al jongen in,' riep hij naar beneden. 'Ze zijn net uitgekomen. Dat kost je
de beste koe, boer.' De boer wilde het eerst niet geloven, maar toen hij
ook ging kijken, lagen er inderdaad jonge raven in het nest en hij was
zijn koe kwijt. Mokkend droeg hij het dier af en hij kon maar niet
begrijpen, dat hij ondanks het koken van de eieren toch de weddenschap
verspeeld had. In het najaar trok de boer het nest uit de eik. Hij wilde
niet meer herinnerd worden aan zijn nederlaag. De knecht had inmiddels al
een andere boer gevonden. Toen de boer het nest uit elkaar trok, zag hij
iets glinsteren in het nest en hij vond daarin een gouden kruisje.
Nu begreep de boer, waarom hij de weddenschap had verspeeld en zijn list
niet had geholpen. Hij legde het kruisje in een kistje en vergat het
verder.
Maar op een goede dag ging de oude grootmoeder, die stijf was van de
reumatiek op het kistje zitten en opeens was ze genezen van de pijn en ze
voelde zich weer monter als een jong meisje. Ze begreep eerst niet hoe het
kwam, maar toen zag ze het kruisje. Het was een wonderkruisje. Het werd
eerst bewaard op het Reijerink, maar daarna aan de kerk geschonken. En van
daaruit kwam het terecht in de kerk van Xanten, met nog de resten van het
ravennest. Mensen, die in Xanten de kerk bezochten, konden achter het
altaar nog de afbeelding zien van het ravennest en ook het kruisje werd
daar bewaard.
Bron: Volksverhalen uit Gelderland
|
NIJMEGEN
- MARIKEN VAN NIEUMEGHEN
Het beeldje van Mariken van
Nieumeghen van de kunstenares Vera Tummers op de Grote Markt van Nijmegen
herinnert sinds 1957 aan een mirakelspel dat voor het eerst omstreeks 1518
in druk verscheen.
De titel van het boekje luidde: Die waerachtige ende een seer wonderlijcke
historie van Mariken van Nieumeghen die meer dan seven jaren metten duvel
woende ende verkeerde. Het spel vertelt de legende van Mariken, die door
een eenogige duivel in mensengedaante werd verleid en zeven jaar met hem
samenwoonde. Het bijwonen van een religieus wagenspel deed haar haar
verkeerde levenswandel beseffen. Zij verliet de duivel en ging zelfs
uiteindelijk bij de paus te biecht. Als straf moest zij intreden in een
klooster en drie ijzeren ringen om hals en armen dragen. Deze werden na
enige jaren door een engel verwijderd als teken van vergiffenis. Het
verhaal is gedurende lange tijd opgevoerd en werd in verschillende talen
vertaald. In 1974 werd het zelfs verfilmd door Jos Stelling. Mariken van
Nieumeghen stierf omstreeks 1500 in een zodanige 'geur van heiligheid' dat
zij als een symbool van de stad voortleeft. De duivel is er ook nog als
een stenen beeldje, hij kijkt vanaf een verscholen plekje bij het
zuidportaal van de Sint Stevenskerk over de omgeving uit.
Bron: Nederland dichtbij - Gelderland - Readers Digest.
|
WESTERVOORT - DE LEGENDE
VAN WERENFRIED
Aan de legende over de gebeurtenissen na zijn dood dankt dit hoofdstuk
zijn naam. Zijn schip voer tegen de stroom op. Dit is het verhaal: Samen
met Willibrord kwam Werenfried uit Engeland naar Nederland om hier het
christendom te brengen. Toen Willibrord bisschop van Utrecht werd, bleef
Werenfried achter in Eist. Van hieruit predikte hij en trok hij rond door
de wijde omgeving. Hij had zijn graf reeds voorbereid in Eist, maar het
was in Westervoort dat hem de dood overviel. De Westervoorters, die ook
zeer op hun prediker gesteld waren, wilden Werenfried begraven in hun
plaats. Dat was echter niet naar de zin van de Elstenaren. Het was hun
prediker, bij hen had hij zijn graf en in hun midden zou hij rusten. De
prediking van Werenfried had echter zoveel resultaat gehad, dat de
inwoners van de twee dorpen liever dan het zwaard ter hand nemen, een
godsoordeel afwachtten. Er werd een plat vaartuig gebouwd, zonder roer en
zeilen. Het schip werd, met de kist waarin het lichaam van Werenfried
gelegd was erop, te water gelaten in de Ussel. Even dreef het met de
stroom
mee schuin naar het midden van de rivier. Daar echter was het of
het door een enorme hand werd beetgepakt en omgedraaid. Zonder zeilen voer
het tegen de stroom in de Ussel op, in de richting van de Rijn. Het bleef
tegen de stroom in varen tot het bij de Waal kwam. Daar ging het, nu weer
stroomafwaarts, over de Waal tot het bij het huidige Lent tegen de oever
botste. De inwoners van Westervoort en Eist die het schip lopend langs de
rivieren gevolgd waren, plaatsten de kist op een nieuwe wagen. Voor de
wagen spanden ze twee koeien die nooit eerder een juk gevoeld hadden. De
twee dieren trokken de kar langzaam in de richting van Eist. Vlakbij de
plaats waar toen ook al een kerk stond, hielden ze stil.
Voor de gelovige vereerders van Werenfried was het duidelijk: God wilde
dat zijn knecht in Eist en niet in Westervoort begraven zou worden. Aldus
geschiedde in grote eensgezindheid door de Westervoorters en Elstenaren in
augustus 736.
Van de bovenstaande legende heb ik twee niet geheel parallel lopende
versies gevonden. Ik heb ze tot één verhaal samengevoegd. Zo er al een
kern van waarheid in het verhaal zit, dan is het na meer dan twaalf eeuwen
toch niet meer na te gaan wat er nu werkelijk gebeurd is. Vast staat, dat
Werenfried (met opzet gebruik ik niet de verlatinisering Werenfridus) in
Westervoort is gestorven en in Eist werd begraven.
Bron: Gelderland Monumenteel
|
OLBURGEN - DORA VISSER
In 1819 werd Dorothea
Visser geboren in Gendringen. Ze was al jong gehandicapt.
Dora Visser, die door een verwonding aan haar rechterbeen nauwelijks kon
lopen en leed aan een aandoening aan de urinewegen, leidde een leven van
bidden en vasten. In 1843 zou ze voor het eerst de wondetekens van Jezus
(stigmata) hebben ontvangen. Die zouden tot haar dood nog vele malen zijn
teruggekeerd. Haar huisarts publiceerde in 1844 een brochure waarin hij
haar ervaringen verdedigde.
Ook haar biechtvader Antonius Kerkhof was overtuigd van haar heiligheid en
hield een dagboek bij van de wonderbaarlijke gebeurtenissen in haar leven.
De aartsbisschop van Utrecht stelde zijn getuigenissen niet op prijs en
plaatste hem in 1864 over naar Kloosterburen (Groningen). Dora volgde hem
als zijn huishoudster. Ze ging ook met hem mee naar zijn volgende
standplaats Olburgen, waar ze in 1876 stierf. Het graf van Dora Visser in
het Gelderse Olburgen trekt sinds 1965 gelovigen die haar voorspraak
inroepen. Een erkend wonder op voorspraak van Dorothea Visser is nodig
voor haar eventuele zaligverklaring.
De journalist Bert Kerkhoffs bracht in 1965 met zijn bewerking van
Kerkhofs dagboekaantekeningen de verering van Dorothea Visser op gang. De
herdenking van haar honderdste sterfdag in 1976 en een tentoonstelling
over haar leven in 1991-1992 leidden tot een nieuwe toeloop van gelovigen
naar haar graf.
|
|
Havezaten
In de 13e eeuw telde de
Graafschap Zutphen ongeveer 40 havezathen; in Overijssel waren er 122 en in
Drente 18. Het woord havezathe wordt vaak gebruikt voor allerlei oude
behuizingen. In oorsprong betekent het ridderhofstede, van have dat hof
betekent, en het middel-nederlandse woord saté, dat verblijf is.
Oorspronkelijk verstond men onder een havezathe een grotere behuizing met
land. Later werd het de speciale benaming voor landelijke huizen, die
bepaalde rechten genoten of waarvan de bewoners bepaalde rechten hadden.
Gewoonlijk hielden die dan verband met de ridderschap. Niemand weet hoeveel
van zulke huizen er wel zijn geweest. Sommige zijn eeuwen geleden al
vervallen. Ze leven soms nog voort in oncontroleerbare verhalen. Andere
vervielen in later tijd, zodat er nu nog resten van te vinden zijn; en weer
andere trotseerden de tijd, zodat ze nog steeds trots in het landschap
staan.
|

De Liemers is ook het gebied van de havezaten. We hebben de indruk, dat
dit gebied voor velen een soort wingewest is geweest, vooral in de periode
na de Hervorming. De bevolking bleef in hoofdzaak katholiek, maar degenen
die het voor het vertellen hadden waren protestant. Dat waren de
magistraat van de diverse steden en ook de adel, die in de Liemers een
grote invloed heeft gehad en de talrijke havezaten bewoonde.
Nu is een havezate oorspronkelijk alleen de woning van een ridder, met
daaraan bepaalde privileges verbonden. Maar allengs zijn die eenvoudige
behuizingen uitgegroeid tot kleine kasteeltjes, al is soms nog de
boerderijvorm herkenbaar.
Het zijn geen statige burchten en wie wil weten hoe ze er vroeger hebben
uitgezien — vroeger betekent dan in het begin van de 18de eeuw — kan
terecht bij de tekeningen van M. de Raed of bij De Beyer, die de havezaten
voor een groot deel hebben vereeuwigd.
Er zijn er nog een stuk of wat overgebleven, al of niet gerestaureerd. Het
huis Rijswijck in Groessen staat er nog en valt alleen op door zijn
massieve bouw, evenals de Loowaard in diezelfde plaats. De Bereklau in die
plaats is tot een gewoon woonhuis geworden, maar de Magerhorst in Duiven
is prachtig gerestaureerd en heeft iets voornaams behouden door zijn
torentje. Daarentegen is huis Vredenburg in Westervoort niet veel meer dan
een boerderij. In dit gedeelte van de Liemers staan de behuizingen er dus
nog, misschien omdat dit gedeelte, tussen Zevenaar en Arnhem en tegen de
Rijn aangedrukt, altijd zo weinig is opgevallen. Men moet er speciaal
willen komen om erheen te gaan. Een plaats als Groessen ligt zo afzijdig
van het grote verkeer, dat het snelle, driftige leven eraan voorbijgegaan
is. Misschien is dat wel de verklaring, dat hier de oude havezaten nog
staan. Zevenaar heeft vooral in de zestiger jaren huisgehouden onder zijn
historische gebouwen en eigenlijk is alleen nog het Loogasthuis, dat uit
1467 dateert, overgebleven. Maar 'de Doelen' is afgebroken, evenals het
huis De Koppel en nog enkele andere historische gebouwen. Daarover is
indertijd het een en ander te doen geweest, maar ze zijn weg. Trouwens,
ook de gemeente Gendringen kon en kan er wat mee. Het grote kasteel in
Ulft, een van de machtigste burchten uit de streek, de tegenhanger van
huis Bergh, is in de vorige eeuw al gesloopt. Daarvan kunnen we de
hedendaagse bestuurders van Gendringen, waartoe Ulft behoort, niet de
schuld geven. Wél van het afbreken van de Bringenborg, waar de dichter
Staring is geboren. Op die plek staat nu een leeszaal, zodat tenminste de
lectuur nog herinnert aan de dichterswoning. Er zijn pogingen geweest om
dit huis te redden, met plechtige verzekeringen van de burgemeester op een
Staringherdenking, dat ze trots op hem waren. Van de Swanenburg staat
slechts een simpel stukje toren, het boerenhuis ernaast is uitgebrand en
zo zal ook deze rest wel zijn bestemming krijgen als wegverharding naar
een of ander boerenerf.
Bron: Achter Rijn en IJssel
|
|

Terug naar alle sagen
|