KASTEEL- EN KERKSAGEN

hor

TERUG NAAR ALLE SAGENKNOPPEN EN KAART

KASTELEN

KERKEN

LEGENDES

HAVEZATEN

 

 

 



 

 


 

 

 

 

.

 

  

 

 


De Gelderse kastelen

Rond het jaar 500 was het erg onrustig in het land.  Rovers, ridders en bandieten stroopten hele buurten af om eten en waardevolle spullen te roven. De arme mensen konden zich niet weren, maar de rijken bouwden ter bescherming van hun goederen sterke kastelen met hele dikke muren, het liefst omringd door een kasteelgracht met ophaalbrug, zodat boeven, plunderaars en ander gespuis geen kans kreeg hun bezitting te veroveren. De rijken kregen later de plicht opgelegd, de burgers in hun buurt te beschermen. Geld hadden de burgers niet, maar in ruil voor bescherming voorzagen de boeren de kasteelheer van voedsel. Als er gevaar dreigde, konden de burgers bij de kasteelheer aankloppen, als dank voor die bescherming hielpen ze mee hun gebied te beschermen tegen de binnendringende bandieten. De meeste kastelen waren 1 uur-gaans van elkaar verwijderd, zodat men bijtijds elkaar kon waarschuwen voor het naderende gevaar.

 

naar boven.
HARREVELD - FREULE VAN DORTH

Dat de mensen bij al deze geruchten danig in de war raakten behoeft geen betoog. Er gebeurden allerlei ongelukken; menigeen moest onderduiken en freule Judith heeft er het leven bij ingeschoten. Deze freule Van Dorth, van wie wordt gezegd dat zij nog steeds in nachtelijke uren in de omgeving van Harreveld rondspookt, was geen gemakkelijke tante. Haar vader behoorde tot het ras van edellieden, dat zich amuseerde door uit de ramen van het huis Harreveld op zijn onderzaten te schieten. Ze was al eens uit de gevangenis van liet Zutphense stadhuis ontsnapt en men zei dat ze met behulp van haar broer pa had doodgeplaagd. Al met al behoorde ze tot het type mensen dat onontkoombaar het slachtoffer moet worden bij dergelijke gelegenheden.

Uit het vonnis van de Militaire rechtbank te Winterswijk van 21 november blijkt, dat zij heeft bekend de oranjevlag van de toren van het huis Harreveld te hebben uitgestoken. Via Zwolle was ze naar Groenlo gegaan 'volop met oranje versierd'. Tegen een burger die Vivat de Republiek riep zei ze 'Wagt manneke, wij zullen u wel krijgen'. En verder had ze dingen geroepen als 'ze moeten allen kapot'.

Dat de doodstraf allesbehalve menslievend is voltrokken staat wel vast, niet alle
en uit de verklaringen van ooggetuigen maar vooral uit de manier waarop de richter Paschen zich naderhand heeft trachten te verontschuldigen. Op een plaats nabij het tegenwoordige stationsplein van Winterswijk is het vonnis voltrokken. De kapitein,, zeggen de ooggetuigen, was dermate in zijn gemoed getroffen dat hij de hand voor de ogen hield en het hoofd omdraaide. Zes schoten knalden. 'Der doorschotene, hier en daar gekwetst, doch in geene der kapitale levensdeelen getroffen, stroomde het bloed wel uit de vele toegebrachte wonden, maar zij bleef levend en worstelde, dus in het zand liggende, met de smarten des doods'. Men legde haar in de kist, maar dood was zij nog niet, want zij 'strekte hare ene hand nog ten hemel'. Een soldaat schoot nog eens in de kist, bij wijze van genadeschot. Maar daarbij vloog de zijden japon van de freule in brand. Soldaten blusten dat brandje in de lijkkist door water in hun steken te halen. Het bloed droop uit de kist. De freule is in de hervormde kerk van Lichten voorde begraven. Ontroeren kan de geschiedenis van de freule Van Dorth ons niet meer. In Wereldoorlog II zijn er om minder op een beestachtige manier ter dood gebracht. Het weinig verheffende verhaal zal bovendien wel wat zijn overdreven. De richter Paschen heeft naderhand gezegd dat zij wel terstond dood was. Maar hij geeft het lossen van het genadeschot toch toe.
Bron:
De Achterhoek p.107
 

DOORWERT - MECHTILD EN BEREND

Berend diende de Rijngod. Op een dag kwam een monnik hem vragen of hij een kapelletje mocht bouwen op het land van Berend. Deze stemde schoorvoetend toe. De Rijngod was hierover zo verbolgen dat hij Berends wonderschone vrouw Mechtild in de Rijn liet verdrinken. Verscheurd door verdriet leidde Berend een wegkwijnend bestaan in zijn kasteel. Totdat op een avond een reisgezelschap om onderdak vroeg. In de vrouw van een ridder herkende Berend zijn overleden Mechtild. Later op de avond, toen hij dronken was, kuste hij de vrouw. Hierop daagde de ridder Berend uit tot een gevecht. Plots leidde een bliksemflits de aandacht van de ridder af en sloeg Berend hem dood. De vrouw en haar gevolg vertrokken en Berend werd door angsten gekweld. 's Nachts lag de vrouw in wie hij Mechteld herkende naast hem in bed, met een bloedend zwaard tussen hen in. Sinds de dood van Berend zweeft zijn geest elke avond door de kasteeltoren.
Bron: artikel in De Gelderlander 2002

 

DIDAM   DE SAGE VAN DE NEVELHORST

Sagen en legenden zoekt men bij voorkeur in een romantische omgeving en het vlakke land van de Liemers mist elke romantiek. Toch zit het vol met oude volksverhalen, welke bijna alle verband houden met verdwenen kastelen. En er hebben er nogal wat gestaan daar in het Liemerse land. Zo lagen rond Didam: de Manshorst, de Lunshorst, de Eng, Meurs, Nevelhorst, enz. En een van de bekendste sagen is wel die van de „Freule van de Nevelhorst".

Op de Nevelhorst woonde omstreeks 1100 een edelman, die slechts één schone dochter had. Deze jongedame betoonde zich verzot op feesten en dansen en was nogal lichtzinnig van aard. Toen dan ook haar vader een tocht naar het Heilige Land wilde maken om tegen de Turken te gaan vechten, zorgde hij er voor dat Fredegunda getrouwd was met Diederich, de heer van Manshorst, zodat die een oogje in 't zeil kon houden. Maar na enkele jaren kwam de tijding dat de heer van de Nevelhorst gesneuveld was, waarop Diederich ter kruisvaart toog om zijn schoonvader te wreken. Fredegunda beloofde haar man bij zijn vertrek eeuwige trouw, maar toen er jaren voorbij gingen zonder dat er bericht van hem kwam, brak zij haar eed. Ze besloot zelfs om te hertrouwen en er daagden heel wat ridders op die naar haar hand dongen. De keuze was moeilijk voor Fredegunda en daarom besloot ze een toernooi te houden en aan de overwinnaar zou ze haar hand schenken. Nu vecht het om niets zo goed als om de gunst van een vrouw, dus ging het heet toe daar in dat toernooi. Op het laatst bleef er een ridder over, die al de anderen verslagen had en Fredegunda was al van plan hem als haar gemaal te verwelkomen, toen nog een ridder het strijdperk binnenreed in een gouden wapenrusting met een rood kruis op de borst.
„Op leven en dood" riep hij en stortte zich op de tegenstander. Een geweldig gevecht ontstond dat tenslotte eindigde in een overwinning van de laatst aangekomen ridder.
Fredegunda was nu genoodzaakt met hem te trouwen, maar aan het bruiloftsmaal wilde hij de helm niet afzetten en ook niets eten of drinken. „Te middernacht zult ge zien wie ik ben", zei hij met holle stem. En toen de torenklok van Didam zijn twaalf slagen had laten klinken, stond de bruidegom op en lichtte de helm. „Hier is Diederich", zei hij, „en die eist zijn recht". Hij nam Fredegunda in zijn armen en danste met haar, terwijl zijn doodsbeenderen in het harnas rammelden. Toen scheurde de vloer en beiden verzonken in een spleet van de aarde. Niemand heeft ooit weer een voet in het kasteel gezet; het werd tot een ruïne en er is geen steen meer van te vinden.
Bron:
De Achterhoek
 


VORDEN - DE WILDENBORCH - DE GEEST VAN ELEONORA


Achter in de tuin van Staverden (de vroegere Pauwenhof) ligt een eilandje in een vijvertje, dat van oudsher Eleonore's Pol werd genoemd. Bij maanlicht loopt daar handenwringend om haar ontstolen geluk, een in het zwart geklede vrouw rond. Het is de geest van Eleonora. Zij leefde op de Wildenborch, een van de acht kastelen van het Achterhoekse Vorden. Zij had trouw beloofd aan een ridder die op kruistocht ging. Terwijl haar beminde in verre landen vertoefde, vatte een andere ridder liefde voor haar op, maar Eleonora bleef haar gegeven belofte trouw.
 
Op een kwade dag kwam de ridder terug uit het Heilige Land. Hij werd opgewacht door de ander, die ook Eleonora wilde bezitten en voordat de jonkvrouw haar geliefde in de armen kon sluiten, had de jaloerse minnaar de kruisridder vermoord. Nu wilde Eleonora nog minder weten van deze eerloze man. Zij vluchtte en stelde zich onder bescherming van de heer van Staverden. Ze sleet er haar levensdagen, in het zwart gekleed, treurend om haar zo wreed omgekomen geliefde. Zelfs de dood maakte geen einde aan haar rouw. Het huidige kasteel Staverden is een mooi wit, uit het water van de grachtvijver oprijzend gebouw. Het is in de vorige eeuw vrijwel geheel nieuw opgetrokken.
Bron: Gelderland Monumenteel
 


BABBERICH - KATEEL HALSAF

In de buurt van Babberich liggen nog een paar havezaten, zoals bijv. Camphuysen, dat nog steeds bewoond wordt en een vriendelijke indruk maakt en huis Halsaf, waaraan een schoon verhaal is verbonden van een dappere dienstmaagd. Het is hetzelfde verhaal van het 'Huis met de hoofden' uit Amsterdam. Uit de tijd, toen het op het platteland niet erg veilig was. De familie van Halsaf was ergens op bezoek en alleen een dienstmaagd was thuisgebleven om op have en goed te passen. Juist op die avond besloot een troep bandieten het huis te overvallen door een gat in de muur, waardoor ze één voor één naar binnen zouden kruipen. Maar de dienstmaagd hoorde gerucht buiten en stond met een scherp zwaard op wacht. En telkens als een van de rovers naar binnen kroop, sloeg ze hem vakkundig het hoofd af. Toen de adellijke familie 's avonds thuiskwam, stonden er zeven hoofden op een rijtje boven op de kast en het meisje vertelde in geuren en kleuren wat er allemaal gebeurd was. Sindsdien heet dit huis bij Babberich Halsaf. Een schoon verhaal, waarbij natuurlijk wel enkele vraagtekens zijn te plaatsen, omdat dieven niet zo gemakkelijk één voor één naar binnen kruipen om zich daar het hoofd af te laten hakken. Maar dat zijn van die kleinigheden, waaraan het volksverhaal zich niet stoort. Dit gebied, rond Babberich, maar ook de gehele Liemers, zit trouwens toch stikvol met oude verhalen.
Bron: Achterhoek en Liemers
 


LAREN - HUIS VERWOLDE

Het huis Verwolde moet lang geleden een sterke burcht geweest zijn, met drie diepe grachten omgraven.  en omsloten door drie hoge wallen, die met hagendoorn begroeid waren. Dag en nacht zat er in de toren een wachter op de uitkijk, want het waren tijden van oorlog. Vooral met de ridder van het kasteel Arkelstein bij Bathmen leefde de heer van Verwolde in voortdurende twist. Eenmaal heeft de melkmeid van het kasteel echter een poortje open laten staan, en zo is de vijand toch binnengekomen.
Bron: Oud-Achterhoeks Boerenleven
 

MONTFERLAND ZEDDAM OF ELTEN - ADÈLE VAN UPLADE

In de vroege middeleeuwen behoorde Hoog-Elten tot het gebied van de gouw-graven van Hameland en in het jaar 963 stichtte Wichmann boven op de Elterberg een klooster voor nonnen van adellijke bloede ter ere van de heilige Vitus. Deze Graaf Wichmann had geen zoons, zodat zijn geslacht zou uitsterven. Vermoedelijk werd dit klooster gesticht op de plaats waar hij woonde. Zijn dochter Luitgardis werd de eerste abdis. Maar het is niet deze dochter van Graaf Wichmann, die geschiedenis heeft gemaakt, maar een andere, Adèle, zij het dan ook een weinig verheffende geschiedenis.

Deze Adèle, die ouder was dan Luitgardis, was gehuwd geweest en had twee zoons: Meinwerk, de latere bisschop van Paderborn, en Dietrich. In 995 huwde Adèle opnieuw, thans met Graaf Balderich. Adèle moet volgens de kronieken nu niet bepaald een vlekkeloos leven geleid hebben en daarover moest ze natuurlijk van haar familieleden nu en dan het een en ander horen.

Haar vader was in 983 gestorven en Dietrich had een zo groot gedeelte van de erfenis gekregen, dat Adèle er niet mee akkoord kon gaan. Ook tegen de gedane schenkingen aan het klooster van Hoog-Elten had ze haar bezwaren kenbaar gemaakt en de twist liep zo hoog, dat ze, toen ze weer getrouwd was met de dappere en machtige Graaf Balderich, deze bewoog verschillende bezittingen van het klooster te bezetten. Dit had ze reeds eerder geprobeerd, toen haar zuster Luitgardis was gestorven (vergiftigd door Adèle?), maar toen kwam ze in conflict met de duitse keizer Otto III. Ook de tweede poging weer vaste voet op de Elterberg te krijgen mislukte, nu door toedoen van keizer Heinrich II.
Al deze gebeurtenissen hadden de verhouding tussen Adèle en haar zoons zozeer vertroebeld, dat ze Dietrich onder een voorwendsel naar de burcht Uplade lokte en hem daar liet vermoorden.
Het gerecht in Dortmund veroordeelde de moordenares ter dood, maar op voorspraak van haar oudste zoon, bisschop Meinwerk, werd ze begenadigd, op voorwaarde van afstand van verschillende goederen. Een jaar of vijf ging het nu goed, maar toen kreeg het echtpaar het aan de stok met Graaf
Wichmann van Vreden, die daar op een oude koningshof van de Saksenhertog Wittekind woonde. Een ogenblik scheen het dat ze het eens zouden worden, want een erfeniskwestie plaatste hen aan dezelfde kant, maar dit bleek maar schijn. Balderich nodigde Wichmann uit hem in zijn burcht Uplade te komen bezoeken, aan welke uitnodiging Wichmann gehoor gaf. Gravin Adèle ontving de gast allerhartelijkst, maar ondertussen koesterde ze moordplannen. De eerste poging daartoe - ze had beraamd hem tijdens de maaltijd te vergiftigen - mislukte, maar toen Wichmann na enkele dagen weer vertrok, zond ze hem een paar man achterna, die hem enkele kilometers van de burcht vermoordden. Zijn lijk werd in Vreden in de grafkelder bijgezet.
Deze laffe moord wekte een storm van verontwaardiging. Allerwegen eiste men en het duurde dan ook niet lang of de burcht Uplade werd van alle kanten aangevallen. Balderich had reeds op het eerste alarm de benen genomen, maar Adèle leidde de verdediging van haar burcht. Veel hulp had ze niet en om het aantal verdedigers groter te laten schijnen, liet ze ook alle vrouwen een helm dragen. Pas toen Adèle vernam dat de duitse keizer een leger naar Uplade had gezonden, toonde zij berouw en vroeg nederig om 'vergiffenis. Na veel vijven en zessen werd haar die geschonken, maar het echtpaar werd verbannen uit de streek. De burcht Uplade werd verwoest. luidt het verhaal van Adèle, een echt middeleeuws verhaal vol van moord doodslag. Waar de burcht Uplade gelegen heeft is tot op heden nog niet piekend. Als plaats wordt wel aangewezen de Houberg bij Elten, maar ook de Montferland bij Zeddam. Op beide heuvels hebben ringburchten gelegen.
Bron:  
De Achterhoek p.62
 

RUURLO - DE JONKER EN HET JODENMEISJE

In het midden van de 14de eeuw brak in Europa de pest uit en deze ziekte verspreidde zich ook in de Achterhoek. Zoals van zoveel dingen kregen de Joden de schuld van deze bezoeking. Een aantal van hen vluchtte uit het Rijnland naar Ruurlo en kreeg van de jonker van Roderlo toestemming om vlak bij het kasteel hun kamp op te slaan. Onder hen bevond zich Abraham, de leider van de groep, met zijn schone dochter Mirjam. Een korte poos maar kenden ze in Ruurlo rust. Toen werden ze ontdekt door fanatieke vervolgers uit Zutphen, die hen overvielen en de meesten van hen doodden. Alleen Abraham en zijn dochter konden een toevlucht vinden binnen het kasteel, waar de jonker hen beschermde. En al gauw werd de schone Mirjam de minnares van de jonker.
De achtervolgers echter hadden de gevreesde pestziekte meegebracht. Het water van de beek was besmet en enkele bewoners uit de buurt stierven. Toen werd al gauw rondverteld, dat de Joden uit het kasteel het water van de beek hadden vergiftigd. Het volk eist de uitlevering van hen, maar de jonker weigert en het moet morrend toezien hoe de beide Joden op het kasteel bescherming blijven genieten. Dat alles is echter tegen de zin van de moeder van de jonker. Ze bezweert haar zoon bij hoog en bij laag het niet te houden met een veracht Jodenmeisje, al is ze nog zo schoon. Hij kan wel een andere bruid krijgen. Een rijke erfdochter uit de buurt. Maar dan moet hij afstand doen van zijn Joodse minnares. De jonker aarzelt. Hij wil eerst hierover met Mirjam spreken. Die weet wat het lot is van meisjes zoals zij. Ze verwacht een kind van hem en het is: 'Kort geluk en lange schande'. Maar ze stemt toe. Onder één voorwaarde, namelijk dat haar vader niet zal worden uitgeleverd en gedood. Dat is het oogmerk van de moeder van de jonker. Als hij deze afspraak zal schenden, zal hij ook sterven, zweert Mirjam. De jonker belooft dit. Maar zijn toekomstige bruid is alleen bereid met hem te trouwen na de dood van Abraham en van zijn dochter. Hij breekt zijn woord, laat Abraham doden, maar Mirjam laat hij heimelijk ontsnappen. Het gerucht gaat. dat ze in de beek is verdronken.
Na enige tijd wordt de bruiloft met grote pracht en praal gevierd. De bruid beschikt immers over veel geld en er zijn veel genodigden Van heinde en verre komen de gasten om het feest te vieren. Nadat de huwelijksplechtigheid js voltrokken en het feest in volle gang is. meldt een dienaar aan de jonker, dat er een heidin is aangekomen, die het bruidspaar de toekomst wil voorspellen. Dat wordt haar toegestaan en gesluierd treedt de ze binnen, ze wordt met gejuich begroet en als de toekomstvoorspelling gunstig zal luiden. zal ze rijkelijk worden beloond. Het eerst is de bruid aan de beurt. De heidin vat haar hand, leest in de lijnen en zegt: ."Maagd, vrouw en weduwe. Op één en dezelfde dag." De schrik van de bezoekers is groot. ...Je liegt, wijf" schreeuwt de jonker en grijpt haar bij de arm. De heidin slaat haar sluier terug en... "Mirjam'' stamelt de jonker. „Ja" zegt ze dan. ..Ik ben terug gekeerd om jou nog eenmaal te zien, die mijn minnaar was en om je te herinneren aan de belofte, die aan mij is gegeven, maar gebroken."
Ze drukt hem tegen zich aan. slaat de armen om zijn hals en drukt een gloeiende kus op zijn lippen. „Deze kus is de laatste, die ik je geef De Zwarte Dood heeft mij ook aangetast en met deze kus heb ik mijn vader gewroken". Dan zakt ze in elkaar, temidden van de gasten, die ijlings hel kasteel ontvluchten. De jonker blijft. Hij weet dat er geen ontkomen is en sterft nog diezelfde dag.
Bron: Sagenboek
 

VORDEN - HET HUISJE BIJ HACKFORT

Bij het kasteel De Hackfort heeft eeuwen geleden een huisje gestaan zonder ramen. Het huisje was gebouwd uit dankbaarheid. Een telg uit het geslacht Hackfort wilde in zijn jeugd niet deugen. Op zeker moment liep hij zelfs van huis weg en trok als muzikant de wijde wereld in. Hij moet tot in Parijs gekomen zijn, waar hij een blinde minstreel ontmoette. De oudere en de jonge man vatten vriendschap voor elkaar op en trokken samen verder. En omdat de oude een groot aantal balladen kende, terwijl hij bovendien een prachtige stem had, hadden de twee een redelijk bestaan.
In die dagen was het bijna onmogelijk om niet in een of ander oorlogje terecht te komen als je een zwervend leven leidde. Zo ging het ook met ons tweetal. Het raakte tijdens een van die woelingen zelfs gescheiden. De jonge man wist niet beter of zijn oudere kameraad was omgekomen en ging bedroefd naar huis in Vorden. Hij werd door zijn ouders met open armen ontvangen en onttrok zich nadien niet meer aan zijn verplichtingen als edelman. Enkele jaren later was hij officier in het leger van de hertog, tijdens een veldtocht in Brabant. Op een avond hoorde hij in het kamp een zingende stem die hij uit duizenden zou herkennen. Het was zijn vriend de minstreel. Uit dankbaarheid voor alles wat deze man tijdens zijn wilde jaren voor hem had betekend, nam hij hem mee naar de Hackfort. Op het landgoed liet hij een huisje voor de minstreel bouwen. En omdat deze man blind was, hoefde een dergelijk huisje geen ramen te hebben - zo redeneerde men in de middeleeuwen.
Bron: Gelderland Monumenteel
 

 

 

naar boven
DOETINCHEM - AAN DE HAAK GESLAGEN

Eens tuimelde een leidekker van de stad Doetinchem van het dak van de grote kerk naar beneden. Wonder boven wonder bleef hij onderweg met één van zijn schoenen haken aan een uitstekende kram. Dat redde hem het leven. En omdat zoiets niet iedere dag gebeurt, bleef de datum in de annalen bewaard: 22 mei 1683. de schoen van de leidekker is te zien in het streekmuseum De Kelder. Eigenlijk had de reddende kram daar ook een plaatsje verdiend. De kelder bewaart derhalve de curieuze leidekkersschoen vele herinneringen uit het verleden. Oud oorlogstuig maar ook materiaal voor vrediger gebruik; vuurplaten, beddepannen, boerenklokken. Het is een mengsel van historie en folklore.
Bron: Achterhoek en Liemers
 


DOETINCHEM - HET KLOOSTER BETHLEHEM

Johannes en Hermanus van Bredevoort boden magister Franco rond 1180 de kerk te Varsseveld aan om er een klooster van te maken. Franco gaf echter de voorkeur aan een plek ten oosten van Doetinchem en stichtte hier het klooster Bethlehem.
 


DREMPT - TWEE BEELDJES


Keizer Karel wordt ervan verdacht het kerkje te Drempt te hebben gesticht. Ter ere daarvan zijn er twee beeldjes van Karel en ‘zijn’vrouw in de muur ingemetseld. Nu is het nooit met zekerheid te zeggen welke vrouw van Karel de Grote het geweest is, want hij heeft er wel vier of vijf gehad. Ik houd het echter op Sibille.
Aan haar is een episch gedicht gewijd, dat door Elisabeth van Nassau-Saarbruecken (1395-1456) in het Duits is vertaald.
Bron: Gelderland monumenteel
 

DINXPERLO - HET KLEINSTE KERKJE VAN NEDERLAND: TE RIETSTAP

In 1909 erfde de Haagse notaris Mr. Theodore Marie Theophille te Rietstap van zijn oom het landgoed De Rietstap. Het testament bepaalde dat hij van het geld een kapel moest bouwen met daarin een schilderij voorstellende de kruisiging van Christus. Het bedrag dat overbleef mocht neeflief zelf houden. Theodore te Rietstap voldeed op een opmerkelijke wijze aan de gestelde voorwaarden. Omdat verzuimd was testamentair de afmetingen vast te leggen, liet hij een godshuisje bouwen met een lengte van slechts 6,40 meter, een breedte van 4,5 meter en een hoogte van 5 meter. Aan de slimheid en krenterigheid van de notaris dankt Dinxperlo nu het kleinste kerkje van Nederland. Het neogotische stulpje in zakformaat is nooit voor de eredienst gebruikt. Het deed dienst als bergruimte en kippenhok. Tegenwoordig is er een kunstgalerie in gevestigd. Toen het landgoed in 1984 plaats moest maken voor een bedrijventerrein, is het kerkje afgebroken en op een steenworp afstand steen voor steen weer opgebouwd. Het schilderij van de kruising verhuisde in 1978 mee met de laatste bewoner van het landgoed naar Groningen. In het kerkje hangt nu een reproductie.
Bron: Het toppunt van Nederland - Aad Struys p.104
 


De legende


Een legende is de beschrijving van het leven van 'n heilige. Vaak wordt er een wonder in beschreven, hier en daar aangevuld met fantasieverhalen. In kloosters werd vaak tijdens de maaltijden voorgelezen uit boeken met levensbeschrijvingen van heiligen.
De betekenis van het woord legende is uitgebreid naar allerlei soorten verhalen die als waar gebeurd doorverteld worden. Ze zijn lang niet altijd historisch te bewijzen, zelfs hier en daar door de verteller wat aangevuld met de eigen fantasiebeleving.


GROENLO BUURTSCHAP ZWOLLE - HET W0NDERKRUISJE VAN REIJERINK

In de buurtschap Zwolle bij Groenlo zat in een eikenboom een ravennest. Het zat er al enkele jaren, maar nu waren de oude raven druk bezig het nest te herstellen in het vroege voorjaar. Ze vlogen af en aan en eindelijk zag het er naar uit, dat het vrouwtje ging zitten broeden op de eieren. De boer van het Reijerink vond het maar niks, die grote vogels bij zijn huis. Dieven waren het, anders niks en het liefst had hij het nest uit de boom verwijderd. Maar dat kon nu niet meer, want vrouw en kinderen zouden daartegen protesteren. En ook de knecht.
De boer was erg zuinig en het werkvolk kreeg maar karig te eten, als het aan hem had gelegen. Nu liep het tegen Pasen en de knecht, die elke keer omhoog keek naar het ravennest in de eik, wilde wel eens weten, hoever het met de eieren stond. Hij klom in de boom en keek voorzichtig over de rand van het nest, toen ook het vrouwtje was wéggevlogen van het nest. Beneden stond de boer te kijken. 'Ik geloof, dat de eieren nog voor de Pasen uitkomen,' zei de knecht, toen hij weer beneden kwam.'Dat kan nooit,' was het antwoord van de boer. 'Dat is veel te vroeg.' Maar de knecht hield stijf en strak vol, dat ze dan wel uit zouden komen. Ze kregen daarover woorden en het liep uit op een weddenschap. Als de eieren op Goede Vrijdag niet zouden zijn uitgekomen, had de knecht zijn jaarloon verspeeld. Kwamen ze op die dag of voordien wel uit, dan verspeelde de boer zijn beste koe. Dat kon hij best wagen, vond de boer, want hij had nog nooit gehoord, dat een ravennest zo vroeg uitgekomen was. Onder het werk dacht de boer, dat hij toch nog wel een beetje risico liep. De knecht was zo zeker geweest van zijn zaak. Je kon nooit weten. En omdat hij liever niet zijn beste koe verspeelde, bedacht hij een minne streek.
Eens toen de knecht alleen op het land was en verder niemand het kon zien, kroop de boer moeizaam omhoog naar het ravennest. Voorzichtig haalde hij de eieren uit het nest en nam ze mee naar beneden. In de keuken, waar het vuur van de haard volop brandde, hing een waterketel boven de vlammen. Het water was goed heet en een voor een stopte hij de eieren in het bijna kokende water. Toen nam hij ze weer mee naar buiten en legde de eieren terug in het nest.'Ziezo,' dacht hij grijnzend, 'die komen zeker voor de Pasen niet meer uit.'
Hij ging daarna gewoon weer aan zijn werk en deed of er niks gebeurd was. Het was Goede Vrijdag en de boer zei tegen de knecht: 'Als de26 eieren vandaag niet uitkomen, heb je je jaarloon verspeeld,' en bij zich zelf dacht hij, dat hij zijn knecht mooi te pakken had gehad.
'Ik zal eens gaan kijken,' zei de knecht. Hij klom omhoog, tot hij weer over de rand van het nest kon kijken. 'Zitten er al jongen in?' riep de boer van beneden. Net keek de knecht over de rand van het nest. 'Er zitten al jongen in,' riep hij naar beneden. 'Ze zijn net uitgekomen. Dat kost je de beste koe, boer.' De boer wilde het eerst niet geloven, maar toen hij ook ging kijken, lagen er inderdaad jonge raven in het nest en hij was zijn koe kwijt. Mokkend droeg hij het dier af en hij kon maar niet begrijpen, dat hij ondanks het koken van de eieren toch de weddenschap verspeeld had. In het najaar trok de boer het nest uit de eik. Hij wilde niet meer herinnerd worden aan zijn nederlaag. De knecht had inmiddels al een andere boer gevonden. Toen de boer het nest uit elkaar trok, zag hij iets glinsteren in het nest en hij vond daarin een gouden kruisje.
Nu begreep de boer, waarom hij de weddenschap had verspeeld en zijn list niet had geholpen. Hij legde het kruisje in een kistje en vergat het verder.
Maar op een goede dag ging de oude grootmoeder, die stijf was van de reumatiek op het kistje zitten en opeens was ze genezen van de pijn en ze voelde zich weer monter als een jong meisje. Ze begreep eerst niet hoe het kwam, maar toen zag ze het kruisje. Het was een wonderkruisje. Het werd eerst bewaard op het Reijerink, maar daarna aan de kerk geschonken. En van daaruit kwam het terecht in de kerk van Xanten, met nog de resten van het ravennest. Mensen, die in Xanten de kerk bezochten, konden achter het altaar nog de afbeelding zien van het ravennest en ook het kruisje werd daar bewaard.
Bron: Volksverhalen uit Gelderland
 

NIJMEGEN - MARIKEN VAN NIEUMEGHEN

Het beeldje van Mariken van Nieumeghen van de kunstenares Vera Tummers op de Grote Markt van Nijmegen herinnert sinds 1957 aan een mirakelspel dat voor het eerst omstreeks 1518 in druk verscheen.
De titel van het boekje luidde: Die waerachtige ende een seer wonderlijcke historie van Mariken van Nieumeghen die meer dan seven jaren metten duvel woende ende verkeerde. Het spel vertelt de legende van Mariken, die door een eenogige duivel in mensengedaante werd verleid en zeven jaar met hem samenwoonde. Het bijwonen van een religieus wagenspel deed haar haar verkeerde levenswandel beseffen. Zij verliet de duivel en ging zelfs uiteindelijk bij de paus te biecht. Als straf moest zij intreden in een klooster en drie ijzeren ringen om hals en armen dragen. Deze werden na enige jaren door een engel verwijderd als teken van vergiffenis. Het verhaal is gedurende lange tijd opgevoerd en werd in verschillende talen vertaald. In 1974 werd het zelfs verfilmd door Jos Stelling. Mariken van Nieumeghen stierf omstreeks 1500 in een zodanige 'geur van heiligheid' dat zij als een symbool van de stad voortleeft. De duivel is er ook nog als een stenen beeldje, hij kijkt vanaf een verscholen plekje bij het zuidportaal van de Sint Stevenskerk over de omgeving uit.
Bron: Nederland dichtbij - Gelderland - Readers Digest.
 


WESTERVOORT - DE LEGENDE VAN WERENFRIED


Aan de legende over de gebeurtenissen na zijn dood dankt dit hoofdstuk zijn naam. Zijn schip voer tegen de stroom op. Dit is het verhaal: Samen met Willibrord kwam Werenfried uit Engeland naar Nederland om hier het christendom te brengen. Toen Willibrord bisschop van Utrecht werd, bleef Werenfried achter in Eist. Van hieruit predikte hij en trok hij rond door de wijde omgeving. Hij had zijn graf reeds voorbereid in Eist, maar het was in Westervoort dat hem de dood overviel. De Westervoorters, die ook zeer op hun prediker gesteld waren, wilden Werenfried begraven in hun plaats. Dat was echter niet naar de zin van de Elstenaren. Het was hun prediker, bij hen had hij zijn graf en in hun midden zou hij rusten. De prediking van Werenfried had echter zoveel resultaat gehad, dat de inwoners van de twee dorpen liever dan het zwaard ter hand nemen, een godsoordeel afwachtten. Er werd een plat vaartuig gebouwd, zonder roer en zeilen. Het schip werd, met de kist waarin het lichaam van Werenfried gelegd was erop, te water gelaten in de Ussel. Even dreef het met de stroom mee schuin naar het midden van de rivier. Daar echter was het of het door een enorme hand werd beetgepakt en omgedraaid. Zonder zeilen voer het tegen de stroom in de Ussel op, in de richting van de Rijn. Het bleef tegen de stroom in varen tot het bij de Waal kwam. Daar ging het, nu weer stroomafwaarts, over de Waal tot het bij het huidige Lent tegen de oever botste. De inwoners van Westervoort en Eist die het schip lopend langs de rivieren gevolgd waren, plaatsten de kist op een nieuwe wagen. Voor de wagen spanden ze twee koeien die nooit eerder een juk gevoeld hadden. De twee dieren trokken de kar langzaam in de richting van Eist. Vlakbij de plaats waar toen ook al een kerk stond, hielden ze stil.
Voor de gelovige vereerders van Werenfried was het duidelijk: God wilde dat zijn knecht in Eist en niet in Westervoort begraven zou worden. Aldus geschiedde in grote eensgezindheid door de Westervoorters en Elstenaren in augustus 736.

Van de bovenstaande legende heb ik twee niet geheel parallel lopende versies gevonden. Ik heb ze tot één verhaal samengevoegd. Zo er al een kern van waarheid in het verhaal zit, dan is het na meer dan twaalf eeuwen toch niet meer na te gaan wat er nu werkelijk gebeurd is. Vast staat, dat Werenfried (met opzet gebruik ik niet de verlatinisering Werenfridus) in Westervoort is gestorven en in Eist werd begraven.
Bron: Gelderland Monumenteel
 

OLBURGEN - DORA VISSER

In 1819 werd Dorothea Visser geboren in Gendringen. Ze was al jong gehandicapt.
Dora Visser, die door een verwonding aan haar rechterbeen nauwelijks kon lopen en leed aan een aandoening aan de urinewegen, leidde een leven van bidden en vasten. In 1843 zou ze voor het eerst de wondetekens van Jezus (stigmata) hebben ontvangen. Die zouden tot haar dood nog vele malen zijn teruggekeerd. Haar huisarts publiceerde in 1844 een brochure waarin hij haar ervaringen verdedigde.

Ook haar biechtvader Antonius Kerkhof was overtuigd van haar heiligheid en hield een dagboek bij van de wonderbaarlijke gebeurtenissen in haar leven. De aartsbisschop van Utrecht stelde zijn getuigenissen niet op prijs en plaatste hem in 1864 over naar Kloosterburen (Groningen). Dora volgde hem als zijn huishoudster. Ze ging ook met hem mee naar zijn volgende standplaats Olburgen, waar ze in 1876 stierf. Het graf van Dora Visser in het Gelderse Olburgen trekt sinds 1965 gelovigen die haar voorspraak inroepen. Een erkend wonder op voorspraak van Dorothea Visser is nodig voor haar eventuele zaligverklaring.

De journalist Bert Kerkhoffs bracht in 1965 met zijn bewerking van Kerkhofs dagboekaantekeningen de verering van Dorothea Visser op gang. De herdenking van haar honderdste sterfdag in 1976 en een tentoonstelling over haar leven in 1991-1992 leidden tot een nieuwe toeloop van gelovigen naar haar graf.

 


Havezaten

In de 13e eeuw telde de Graafschap Zutphen ongeveer 40 havezathen; in Overijssel waren er 122 en in Drente 18. Het woord havezathe wordt vaak gebruikt voor allerlei oude behuizingen. In oorsprong betekent het ridderhofstede, van have dat hof betekent, en het middel-nederlandse woord saté, dat verblijf is. Oorspronkelijk verstond men onder een havezathe een grotere behuizing met land. Later werd het de speciale benaming voor landelijke huizen, die bepaalde rechten genoten of waarvan de bewoners bepaalde rechten hadden. Gewoonlijk hielden die dan verband met de ridderschap. Niemand weet hoeveel van zulke huizen er wel zijn geweest. Sommige zijn eeuwen geleden al vervallen. Ze leven soms nog voort in oncontroleerbare verhalen. Andere vervielen in later tijd, zodat er nu nog resten van te vinden zijn; en weer andere trotseerden de tijd, zodat ze nog steeds trots in het landschap staan.  

naar boven
De Liemers is ook het gebied van de havezaten. We hebben de indruk, dat dit gebied voor velen een soort wingewest is geweest, vooral in de periode na de Hervorming. De bevolking bleef in hoofdzaak katholiek, maar degenen die het voor het vertellen hadden waren protestant. Dat waren de magistraat van de diverse steden en ook de adel, die in de Liemers een grote invloed heeft gehad en de talrijke havezaten bewoonde.
Nu is een havezate oorspronkelijk alleen de woning van een ridder, met daaraan bepaalde privileges verbonden. Maar allengs zijn die eenvoudige behuizingen uitgegroeid tot kleine kasteeltjes, al is soms nog de boerderijvorm herkenbaar.
Het zijn geen statige burchten en wie wil weten hoe ze er vroeger hebben uitgezien — vroeger betekent dan in het begin van de 18de eeuw — kan terecht bij de tekeningen van M. de Raed of bij De Beyer, die de havezaten voor een groot deel hebben vereeuwigd.

Er zijn er nog een stuk of wat overgebleven, al of niet gerestaureerd. Het huis Rijswijck in Groessen staat er nog en valt alleen op door zijn massieve bouw, evenals de Loowaard in diezelfde plaats. De Bereklau in die plaats is tot een gewoon woonhuis geworden, maar de Magerhorst in Duiven is prachtig gerestaureerd en heeft iets voornaams behouden door zijn torentje. Daarentegen is huis Vredenburg in Westervoort niet veel meer dan een boerderij. In dit gedeelte van de Liemers staan de behuizingen er dus nog, misschien omdat dit gedeelte, tussen Zevenaar en Arnhem en tegen de Rijn aangedrukt, altijd zo weinig is opgevallen. Men moet er speciaal willen komen om erheen te gaan. Een plaats als Groessen ligt zo afzijdig van het grote verkeer, dat het snelle, driftige leven eraan voorbijgegaan is. Misschien is dat wel de verklaring, dat hier de oude havezaten nog staan. Zevenaar heeft vooral in de zestiger jaren huisgehouden onder zijn historische gebouwen en eigenlijk is alleen nog het Loogasthuis, dat uit 1467 dateert, overgebleven. Maar 'de Doelen' is afgebroken, evenals het huis De Koppel en nog enkele andere historische gebouwen. Daarover is indertijd het een en ander te doen geweest, maar ze zijn weg. Trouwens, ook de gemeente Gendringen kon en kan er wat mee. Het grote kasteel in Ulft, een van de machtigste burchten uit de streek, de tegenhanger van huis Bergh, is in de vorige eeuw al gesloopt. Daarvan kunnen we de hedendaagse bestuurders van Gendringen, waartoe Ulft behoort, niet de schuld geven. Wél van het afbreken van de Bringenborg, waar de dichter Staring is geboren. Op die plek staat nu een leeszaal, zodat tenminste de lectuur nog herinnert aan de dichterswoning. Er zijn pogingen geweest om dit huis te redden, met plechtige verzekeringen van de burgemeester op een Staringherdenking, dat ze trots op hem waren. Van de Swanenburg staat slechts een simpel stukje toren, het boerenhuis ernaast is uitgebrand en zo zal ook deze rest wel zijn bestemming krijgen als wegverharding naar een of ander boerenerf.
Bron: Achter Rijn en IJssel
 

TERUG NAAR 'ALLE' SAGEN
 Terug naar alle sagen