HISTORISCHE SAGEN

TERUG NAAR ALLE SAGENKNOPPEN EN KAART

VERBORGEN SCHATTEN

NAAMSVERKLARINGEN

PEROOONSSAGEN

ROVER

BOMMENBEERND
 

 

 



 

 


 

 

 

 

.

 

  

 

 


Verborgen schatten

Niet alleen vandaag de dag is het onveilig op straat. Ook vroeger was het niet al te best gesteld met de veiligheid. Rovers en ander gespuis stroopten hele buurten af op zoek naar goudstukken, sieraden en andere waardevolle spullen. Een kluis of bank moest nog uitgevonden worden. De enige manier om er zeker van te zijn dat er niets gestolen werd,  was je spullen dan maar in de grond te te stoppen. Het geheim deelde je natuurlijk met niemand. Met als gevolg dat na de dood van de eigenaar, het een flinke klus was om uit te vinden bij welke boom of in welke put hij zijn muntjes had verstopt....

naar boven
WINTERSWIJK - DE SCHATTEN VAN RAVENHORST

Adolf vertrok als schildknaap met de keizer mee ten oorlog. Daar betoonde hij zoveel moed dat hij beloond werd met het veroverde slot Ravenhorst bij Winterswijk, waar drie roofridders woonden, die in onderaardse gewelven hun schatten verborgen hadden. Adolf veroverde de Ravenhorst maar vond de schatten niet. Hij moest als arm krijgsman het leven laten in de strijd tegen de Muntersen: ook zijn twee oudste zoons bleven op het slagveld. De jongste, Hendrik ,volgde hem op als Heer van Ravenhorst. De verborgen schatten lieten hem geen rust. Hij doorzocht het hele slot, echter zonder resultaat. Eens verscheen op een avond verscheen er een grijsaard voor de poort, die dringend verzocht binnen gelaten te worden. Hij werd gastvrij ontvangen waarna hij verklaarde één van de drie roofridders te zijn geweest, die vroeger op de Ravenhorst hadden gewoond en hun kostbaarheden begraven hadden. Veertig jaar lang was hij als bedelmonnik door de landen getrokken, maar hij kon geen rust vinden voor hij zijn geheim had prijsgegeven. Sindsdien waren de heren van Ravenhorst rijke en aanzienlijke edelen. De oudste stukken omtrent de Ravenhorst dateren uit de dertiende eeuw: het slot bestaat niet meer; wel staat er op die plaats een hoeve Ravenhuis.
Bron: Meinen - Dorpen langs de Slingerbeek.
 


Ook anderen dan deze oude boswachter vertelden — in 1842 — dat er eens een schat gevonden was op de berg en dat een der rentmeesters van de graaf, die eerst arm was geweest, later als een rijk man stierf. In het archief van de graven van den Berg bevond zich inderdaad een bundel procesakten, die handelden over de vondst van een schat en gedagtekend waren: februari en oktober 1700. De titel luidde: Dupliek van het stadgericht van 's Heerenberg, overgegeven uit naam en van wege Herman Cniest, Andries Poor en Willem Nieuwstad, „ten onregte gedaeghde ende opdaeghden en de hooghge-noodzaakte verweerderen ten eenre op ende tegens die virelevante ende luchtige Replycq, denselven gerichte ingedient naemens de Hoogh en Wellgeboren Graeff en Heer Oswald, Graefï tot den Berg en Rittberg, Marckgraeff zu Bergen etc., ongefundeerden toelegger ter andere zijden."

In die stukken trachtte men aan te tonen dat het vinden van een schat te dien tijde onwaar was, een loze beschuldiging, waarmee twintig jaar geleden de mensen in de herberg al de spot dreven, trouwens de graaf zelf ook. In een andere aktenbundel bevond zich een reductie, die volkomen in tegenspraak was rnet deze repliek. De deductie was uitgevaardigd door zekere van den Heuvel, als gevolmachtigde van de graaf tegen de drie genoemde personen. Door getuigenverklaringen wordt aangetoond, dat er inderdaad een schat gevonden was op de berg en wel in de vorm van een kist, gevuld met goud, zilver en edelstenen.
Aan de boswachterwoning op de berg is ook een steen gemetseld, waarvan het opschrift betrekking zou hebben op de schat. Dit opschrift, volgens de rood geverfde getalletters uit 1599 daterend, luidt:
chronicon
thesa VrlseXCIsis
osWaLDVs
strVXIt.
Men zou het als volgt kunnen lezen: „Tijdbericht. Oswald heeft mij door uitgedolven schatten gebouwd." Maar excisis wordt ook gebruikt in de zin van ,,te loor gaan", en dan zou Oswald dit huis gebouwd hebben, nadat zijn schatten op waren.
De in het opschrift genoemde Oswald was blijkbaar de tweede zoon van Oswald III (l507—1545); zowel hij als zijn jongere broer Frederik en zijn zuster Anne stierven ongehuwd: zijn oudere broer Willem (1586) liet twee kinderen na: Herman en Frederik.
Het door Oswald gestichte gebouw was binnen een eeuw reeds een ruïne, waarschijnlijk werd het in 1672 door de Fransen verwoest. Een andere gedenksteen aan dezelfde woning verhaalt dat het gebouw weer werd opgetrokken. Ook dat huis, in het opschrift niet zonder overdrijving een nieuw paleis „nova regna" genoemd, hield geen eeuw stand, en toen kwam er de boswachterwoning voor in de plaats.
Bron: Janssen in Geldersche Volksalmanak.
 

BREDEVOORT - DE SCHAT BIJ HET KLOOSTER SCHAER

Over het verdwenen klooster „Schaer" bij Bredevoort doen veel verhalen de ronde.
Het moet ongeveer in 1430 geweest zijn, dat in de streek tussen Corle, Bredevoort en Vragender vreemde gebeurtenissen plaats vonden. Wat er eigenlijk aan de hand is geweest, vermeldt noch de historie, noch de legende. Een heel vage overlevering zegt, dat er „hemelse tekenen" waren en dat deze aanduidden, dat op die plaats een klooster gebouwd moest worden. Derk van Lintelo, de bezitter van een complex grond, werd bereid gevonden het terrein af te staan en zo verrees in dit wilde land het klooster „Domus B. Mariae in Nazareth", behorende tot het kapittel van Windesheim. De plek waar het klooster gestaan heeft is nu met zekerheid aan te wijzen, omdat resten van het puin nog aan de oppervlakte komen. Dit is op zichzelf al een groot voordeel, want in oude geschriften staat enkel als nadere plaatsaanduiding: “twee uren van Grolle en twee uren van Anholt, bij een vaart, die in de IJssel eindigt”. Derk van Lintelo gaf de grond voor het klooster onder voorwaarde dat hij er zelf ook mocht wonen. Dertig jaar leefde hij tussen de monniken. De laatste prior vluchtte in 1597 voor het leger van Prins Maurits, die van plan was Bredevoort aan de Spanjaarden te ontfutselen. De kloosterbewoners vonden het veiliger ook de benen te nemen. Kort daarna werd het gebouw door rondtrekkende soldaten vernield. Vanaf die tijd gaat het verhaal dat de vluchtende kloosterlingen een schat hebben weggestopt in de grond. Hij werd begraven onder de derde hulststruik achter de schaapskooi, maar niemand weet meer waar de schaapskooi eenmaal heeft gestaan. Een eenmaal zal die schat weer opgedolven kunnen worden, aangewezen door “hemelse tekenen”. Dan zal er een vreemd licht zijn in de nacht, tot er een zwarte kraai zal kraaien.

“Dee kan he’w e’had”, zei een boer uit Vragender. Hij herinnerde zich veel veel later in de nacht van 13 op 14 september 1943, dat er boven Aalten een onweer woedde, dat langzaam naar het noordwesten wegtrok. Het regende erg hard. Tegen 12 uur begon de lucht in het zuidoosten te breken en kwam de maan tussen wolkenflarden te voorschijn. Tegen die noordwestelijke hemel tekende zich plotseling een regenboog af, die tot de aarde reikte. Het was een mysterieus schouwspel. “Er zal een vreemd teken zijn…” Welnu, dat wàs het teken”, zei de boer uit Vragender. Hoewel hij weet dat het onzin is, diep in zijn hart wil hij er best graag in geloven.

….. maar een ander vertelde dat de schat allang gevonden was. Op zekere dag zag men een boer steeds maar van een bepaald bosje naar zijn woning lopen en elke keer torste hij een mandje, waarmee hij heel geheimzinnig deed. Op de vraag wat hij daar toch uit dat bosje gehaald had, gaf hij een ontwijkend antwoord. Enige tijd later moet hij een grote boerderij gekocht hebben, terwijl de mensen niet konden begrijpen, „hoe hij aan de centen kwam".
Bron: Achter Rijn en IJssel p.74

 

VRAGENDER - DE KAPEL

Ooit werden bij de kapelruïne een aantal gouden beelden begraven. Er is nooit een spoor van teruggevonden.
De kapel is vrijwel geheel verdwenen. Na de hervorming raakte deze kapel in verval en slechts enkele muurrestanten getuigen nog, van de kapel die hier ooit gestaan heeft.
 


Naamsverklaringen

Heb je je ooit al eens afgevraagd waar die merkwaardige namen vandaan komen? De Lochemse Koolhazen, het Montferland, Warnsveld of Varusveld......? Hieronder staan enkele overleveringsverhalen waarin verteld  wordt over de herkomst van die namen.
Of ze waar zijn? Geen idee! Maar wat maakt het eigenlijk uit of het waar is. Niemand die het kan ontkennen.... En dat is misschien wel het leukste aan deze sagen.

naar boven
LOCHEM - DE KOOLHAZEN

In 1852 is in de Geldersche Volksalmanak uit de doeken gedaan hoe die van Lochem aan hun bijnaam 'Koolhazen' komen. Na alle dapperheden die van de Lochemers worden verteld kon dit heldenstuk er nog wel bij. De geschiedenis is echter niet zo verlopen dat men naast Poorters-Jan en Ballochi ook nog een Koolhazenstraat heeft gekregen. In dat verre verleden was boerenkool met worst het nationale gerecht in Lochem. Maar uit de omgeving kwamen tal van hazen die zich aan de Lochemse kool te goed deden. Want ook voor hazen moet boerenkool een lievelingsgerecht zijn. Meer dan eens besloten de Lochemers aan die hazenplaag een einde te maken. Maar het bleef bij het benoemen van wat commissies.
Op een mooie herfstmorgen ging een achtenswaardig inwoner van Lochem naar zijn koolveld kijken. Wat hij daar zag deed zijn hart echter een wijle stilstaan. Er liep een dier met lange oren, groter dan de grootste haas waar men ooit over heeft horen vertellen. IJlings rende de man terug om gewapende hulp te halen. Het werd een schrikwekkende stoet, gewapend met gaffels en grepen en met vastberaden trekken om de monden. Toen men het ondier zag, renden sommigen naar de stad terug, bewerend dat zij het kanon gingen halen. De anderen bleven oprukken tot het dier een vervaarlijk gebrul uitstiet. Daarop rende de hele bende hals over kop terug naar de veilige stadspoorten. Angstig keek men nog eens om. En toen zag men dat het dier op zijn rug op de grond lag. Na een korte vergadering besloot men tot een nieuwe poging om het monster te omsingelen. Daarbij bleek dat het niet kon opstaan, want het had een poot gebroken. Weldra lag het nu zieltogend tussen de boerenkool. In zegepraal voerden de Lochemers de moer van alle hazen naar hun stad. En ongetwijfeld zou er nu op de Markt in Lochem een groot monument hebben gestaan van een bloeddorstige haas van brons met koperen vuurstralen uit wijdgeopende neusgaten, als niet de volgende dag was gebleken dat men een losgebroken ezel had gedood. En sinds die dag heten de Lochemers koolhazen.
Bron: 
De Achterhoek p.239
 

WARNSVELD  HET WAPEN VAN WARNSVELD

Het wapen van de gemeente Warnsveld wordt gevormd door een spaarzaam gekleed manspersoon, zich
amuserende met wat slangen en staande op een wagenrad. 'De slangenbezweerder' zeggen oneerbiedige plaatsgenoten, maar oudere Warnsvelders zeggen dat deze blote meneer eigenlijk een zekere Warns is, een heidens priester uit voor christelijke dagen. In de omgeving van het kasteel het Velde zou hij een veldslag hebben geleverd en daar moet hij zo beroemd mee zijn geworden, dat men het dorp naar hem is gaan noemen. Deze legende moge als verhaal niet bijzonder geslaagd zijn, ze illustreert toch duidelijk waar de Warnsvelders hun plaatselijke geschiedenis laten beginnen: in de voorchristelijke tijd. In de middeleeuwen heeft het krijgsrumoer van het naburige Zutphen de minder luide stem van het dorp Warnsveld wat overschreeuwd, maar dat neemt niet weg dat het dorp ouder zal zijn dan de stad. Warnsveld moet ontstaan zijn toen de trekploeg het mogelijk maakte.
Bron: 
De Achterhoek p.272
 

DE HESSENWEGEN

De geschiedenis van de handel gaat terug tot ver in de prehistorie. Geld bestond toen nog niet. Wat men te veel had, werd geruild voor goederen die men niet had of graag wilde hebben. Toen de behoefte aan bepaalde goederen groter werd, gingen handelaren de ruilhandel tussen de verschillende nederzettingen en streken verzorgen. In de late middeleeuwen wisten vooral aan de IJssel gelegen plaatsen als Doesburg en Zutphen van hun gunstige ligging te profiteren en ontwikkelden zich als belangrijke handelssteden, die later in het machtige verbond van de Duitse Hanze werden opgenomen.  De wegen waar de kooplieden gebruik van maakten, kent men nu nog steeds als Hessenwegen.
De  hessenwegen liepen over de hogere zandgronden. De kooplieden uit het duitse Hessen hadden zo met hun huifkar minder last van overstromingen en moerasgebieden. Zij overnachtten vaak bij herbergen langs deze routes zoals de Lebbenbrugge en de Driekieften.  In de Achterhoek lopen de Hessenwegen als volgt: Bocholt-Aalten-De Radstake- Halle-Zelhem-Hoog Keppel-Doesburg;  Vreden-Rekken- Borculo-Lebbenbrugge-Lochem-Deventer/Zutphen;  Vreden-Groenlo-Borculo en Rekken-Neede-Geesteren-Lochem.
Bron: Ontdek de Achterhoek p.268
 

DOETINCHEM

Doetinchem schijnt omstreeks 1100 ommuurd te zijn geweest. De markt in Doetinchem dateert al vanaf 1230. Vroeger kende men 4 stadspoorten: de Heezen-, Hamburger-, IJssel of Waterpoort en de Grutpoort.
 


RUURLO BEDELAARSDIJK

Den Baedelersdiek van Reurle naor Grolle is emaakt in de tied van Frederik Hendrik met ut Beleg van Grolle. Daor lepen altied ne helen hoop tronselers achter de soldaoten an, maor Frederik Hendrik hef ze wal an ut wark ekreggene.
Bron: De oele röp - p.75
 

DE GELDERSE ROOS

In de bosmoerassen huisde eenmaal de vreselijke draak, die door Wichard van Pont werd verslagen, en stervende met geweldig geluid de kreten "Gelre! Gelre!" deed horen. Met die sage begint in de nevelen der middeleeuwen de historie van Gelderland. Ter nagedachtenis aan zijn overwinning nam Wichard van Pont een bloem, die daar bloeide in het bos, en plaatste die op zijn schild. En nog heden heet die bloem door de hele wereld de Gelderse Roos.
Bron: "Onkruid". Beschrijvingen van botanische wandelingen door F.W. van Eeden.
 
 

LOCHEM - DE KOOLHAZEN (DEEL 2)

Die spotnaam hebben ze nooit goed kunnen verdragen. Dat is gebleken in 1813, toen de Pruisen ons land binnentrokken. Lochem had geen Franse bezetting. De stad werd zonder slag of stoot veroverd. De burgerij zou daarna de verdediging op zich nemen. Toen de Pruisen verder trokken hielden zij scherp de wacht. Op een dag probeerde een vreemdeling ongemerkt over de neergelaten brug de stad binnen te komen. De waakzame wacht hield hem staande en vroeg zijn naam. 'Koolhaas', antwoordde de ongelukkige bedaard. Hij werd meteen gefouilleerd en onder zware bewaking naar de stadscommandant gebracht, waar hij ondanks de vreselijkste bedreigingen bleef volhouden dat hij Koolhaas heette. Men besloot hem de volgende dag op de Markt te geselen, om hem daarna de stad uit te jagen. De maire echter vond dat die man best echt Koolhaas kon heten. Met touwen en ladders heeft hij hem over de wallen en over de gracht geholpen toen het donker was. De grote menigte die de volgende morgen op de Markt stond om getuige te zijn van de terechtstelling, kwam vergeefs.
Bron:
De Achterhoek p.240
 

LOCHEM - DE HOOIPLUKKER

Op de markt van Lochem staat een beeld van de hooiplukker. In 1590 trachtten de spanjaarden door een list de stad in te nemen,. Ze verstopten zich in hooiwagens maar de oude gewoonte dat jongens bij de stadspoort plukken hooi uit de wagens mochten plukken werd hen noodlottig. Er kwam een laars uit het hooi te voorschijn waarna de jongens alarm sloegen. Met behulp van de burgerij wist het Lochemse garnizoen de Spanjaarden op de vlucht te jagen. Vanaf die dag dragen de Lochemers de bijnaam hooiplukkers.
Bron: Achterhoek en Liemers
 

GELDERLAND - WICHARD EN DE DRAAK

In de tijd dat de kleinzonen van Karel de Grote het eens waren geworden over de verdeling van het Frankenland, dat in een kasteel ten zuidoosten van Venlo, genaamd Pont, een edelman huisde. Deze edelman had twee zoons, Wichard en Leopold. De oudste, Wichard, had een oogje op de dochter van Herman van Hamaland, die op een kasteel in de buurt van Zutphen woonde. Wichard reed op een goede dag naar Zutphen om zijn geluk te beproeven. Hoewel hij goed werd ontvangen en ook Margaretha, de dochter, zich niet afkering toonde van deze jongeman, was er een groot bezwaar. De jonge Wichard had geen enkel wapenfeit verricht. En hoe kon de oude Herman zijn dochter schenken aan iemand van wie hij niet wist of hij zijn dochter kon verdedigen? Bovendien waren er genoeg andere kandidaten, die wel op wapenfeiten konden bogen. Wat nu te doen? Wichard wist dat erin de moerassen in de buurt van Pont een rode draak leefde, die alles wat in zijn buurt kwam verslond. Wichard bedacht dat als hij de streek van deze plaag kon verlossen, hij veel meer kans maakte bij Herman van Hamaland.
Zo toog de moedige knaap naar het moeras en vond weldra de slapende draak. De draak werd echter meteen wakker en een hevige strijd brandde los. Pas tegen de avond was het pleit beslecht, de draak stiet enkele kreten uit, hij brulde Gelre, Gelre.... en viel dood neer. Wichard had gewonnen. Dit feit vermurwde Herman van Hamaland en het huwelijk vond vrij snel daarna plaats. Het paar stichtte een nieuw kasteel, aan de rand van het nu veilige moeras. Als naam gaven zij het GELRE, dit was de kreet die de draak uitgeroepen had, vlak voordat hij zijn laatste adem uitblies. En als wapen kozen ze de mispel, aangezien Wichard de draak overwonnen had onder een mispelboom.
Bron: Duits noodgeld 1922, honderdjarig jubileumcadeau voor Vereniging Gel.
 

EDE- HUIS KERNHEM


Huis Kernhem wordt in het dialect uitgesproken als "Keer-um", en wanneer men vraagt, wat die naam betekent, krijgt men een verhaal over Spaanse soldaten te horen, die plunderend in de omtrek van het huis verhieven en opgeschrikt werden door de jager van Harsselo. die in de bossen het Wilhelmus blies op zijn hoorn, puur voor zijn eigen genoegen.

..De plunderaars. dit horende, waren van mening dat de Staatse troepen in aantocht waren, ze wendden de teugel en sloegen hals over kop op de vlucht. "Ze keerden dus om....." en na die tijd heette het huis ..Keerum". waarvan deftige mensen later Kernheim hebben gemaakt.
Bron: Gazenbeek Fluisteringen van het verleden.
 

VARSSEVELD - VARUSVELD

Het is namelijk niet bewezen dat de Romeinen ten onzent veel hebben uitgevoerd. Wij hebben de Romienendiek bij Varsseveld en het verhaal dat de legioenen van Varus daar zouden hebben gestreden, en we hebben de legende dat het kasteel in Vorden door de Romeinen zou zijn gesticht. Maar veel bewijs voor de aanwezigheid van Romeinse legioenen kan men daar niet uit putten. Verder hebben we wat Romeinse vondsten, meest munten: op een akker bij Winterswijk een bronzen munt van Galba, te Groenlo een munt van Vespasianus, te Vorden wat Romeinse munten bij het kasteel, te Warnsveld een bronzen munt van Augustus, in Zutphen een Romeinse munt, bij Eefde in de Witte-wievenbult een munt van Traianus en bij de Germaanse begraafplaats in Epse een zilveren munt van Antoninus Pius. Maar uit niets blijkt dat de Romeinen zelf die hebben verloren. En tenslotte mag men zich met reden afvragen wat de Romeinen te zoeken. Als het verhaal van Varus en Varsseveld juist zou zijn, dan moest de 55 m hoge koperen mannetjesputter die bij Hiddesen in het Teutoburgerwoud staat eigenlijk in de Achterhoek worden geplaatst. Deze Hermann, die eigenlijk Arminius heette, heeft de legioenen van Varus verpletterend verslagen en daarmee een definitief eind gemaakt aan de Romeinse heerschappij beoosten de Rijn. Een theorie zegt dat Varus die geweldige klap in oostelijk Gelderland zou hebben gekregen. Varsseveld zou dan eigenlijk Varusveld moeten heten, en Harreveld Harmensveld. Daartussen loopt de Romienendiek bij de herberg de Radstake.ouden hebben in een streek die toen meer dan ooit de naam  'Achterhoek' met ere mocht dragen. Het zal een bebost gebied zijn geweest, en de Romeinen hadden een hekel aan bossen.
Bron:
De Achterhoek p.56
 

ZEDDAM - MONTDERLAND

Hoewel de naam Montferland gebruikt wordt voor het gehele Bergherbos, is dit oorspronkelijk alleen de heuvel bij Zeddam. Rond 1340 was de spelling "Montferande". Het vermoeden bestaat dat de naam door Franse bezoekers van het kasteel is gegeven, en later in de volksmond verbasterd tot Montferland.
Bron: Bergh Puntsgewijs
 

BEEK - WOLKENLAND

In 1919 bouwde de kunstenaar Carl Garschagen uit het duitse Siegburg hier een villa. Hij schilderde bij voorkeur de natuur en wolkenluchten en heeft de naam vermoedelijk gegeven.
Bron: Bergh Puntsgewijs
 

PLAATS- EN BOERDERIJNAMEN

De nieuwe plaatsnamen uit deze periode hebben vooral betrekking op de begrenzing van het Frankische rijk, het gerecht, het leger, de kerk, het grondbezit. Van het westen en zuiden uit drongen het christendom en de Karolingische cultuur de Achterhoek binnen. Deze plaatsnamen eindigen op -bant, -mark, -maal, -sele, -hoven, -mond, -apa, -dal, -donk en -laar.

Bant en mark betekenden de grens, die gevormd wordt door woest land; later kreeg mark meer de speciale betekenis van deze woeste gronden in gemeenschappelijk eigendom bij een aantal eigenaren, en het genootschap van die eigenaren. Er was een Marcka bij Winterswijk en een goed ter Marcke bij Dochteren.

Maal duidde de gerechtsplaats aan. We vinden het terug in Malland of Mallem bij Eibergen.

Sele betekent woning; we ontmoeten het in een boerderijnaam onder Almen, Coninxhel; -hoven, soms -haven, komt als boerderijnaam voor o.a. in de kerspelen Zelhem, Hengelo en onder Neede.

Mond duidde de monding van een rivier aan: Wichmond is de plaats waar de Karolingische invloed in ons gewest zich het vroegst deed gelden.

De duistere uitgang -apa bij riviernamen (er is een pre-germaans ape, dat waterloop betekent) vinden we in de naam Resep voor de buurtschap Respelhoek onder Borculo.

Dalnamen, ontstaan onder zuidelijke invloed, vindt men in boerderijnamen, o.m. onder Ruurlo, Vorden en Zelhem.

Laar duidt misschien grasrijke plaatsen aan. Onder de plaatsnamen vindt men o.m. Bramlare (Brammelo onder Neede), Geldersler (Gelselaar onder Borculo), Laren (bij Lochem), Wulflare (Wolfeler onder Warnsveld).

Een zeer vroeg vermelde boerderijnaam is de hof Stotelare in het Woold bij Winterswijk.

Ook bij -heimnamen denkt men wel aan Karolingische invloed, al is men daar niet geheel zeker van
Plaatsen met -heimnamen liggen in groepjes bij elkaar. Men vindt ze vooral in de Liemers met in onze omgeving Zelhem (Selehem).

Dichter bij huis ligt een andere groep, namelijk Angeren (Angerhem), Lochem, Barchem (Borghem), Beltrum en op Overijssels gebied Stokkum onder Markelo en Diepenheim.

Een tovermiddel is dit plaatsnaamkundig onderzoek ook weer niet, want er zijn naderhand nieuwe plaatsen ontstaan die oude namen kregen, bovendien zijn veel namen in de loop van de tijd onherkenbaar vervormd.
Bron: De Achterhoek p.54


Historische sagen

Historische sagen hebben niet alleen betrekking op oorlogen, burchten, kerken en andere gebouwen of bepaalde plekken in de natuur. Ook de persoonssagen horen er bij. Een eeuw geleden kende elke plaats wel een markante dorpsfiguur waarover men sprak. Er zijn verhalen bekend over zieners de zgn. veurkiekers die de mensen waarschuwden voor naderen onheil, sagen over kasteelheren, maar vooral over beruchte rovers.
 

naar boven
HAAKSBERGEN -
STEFANUS ASTELEINER EN KIEKE-BEREND

Evenals in zijn dagen zijn er ook nu nog veurkiekers en belezers in de Achterhoek. De wonderlijke verhalen over Stefanus Asteleiner, de helderziende en belezer die voor 1830 een flinke praktijk had te Gelselaar, en die  over Berend Laarveld, Kiekeberend ,die omstreeks de vorige eeuwwisseling als boerenknecht diende op het Hof te Langeloo bij Haaksbergen en daar het volk verbaasde als veurkieker, staan niet op zichzelf. Deze verhalen zijn in zoverre van belang, als nergens ter wereld zoveel veurkiekers worden gevonden als in Westfalen en omgeving, en daar mogen we de Achterhoek wel toe rekenen. Langzamerhand worden dergelijke verschijnselen minder. Met zwarte kunst heeft het niets uit te staan. De wetenschap zal er zeker eens een goede oplossing voor vinden. Hetzelfde kan worden gezegd van de belezers. Wij zien er geen been in, dat bij ons haast in ieder dorp wel iemand te vinden is die belezen kan, maar er zijn mensen van elders die dat maar raar vinden. Tegenwoordig heeft het belezen overal een godsdienstig tintje. De oude Germanen deden het ook al, maar die haalden er zo nodig Wodan bij.


Dezelfde oude toverspreuken zijn nu in een christelijk jasje gestoken en nog steeds doen ze opgeld. De een kan belezen tegen verstuikingen, de ander tegen brandwonden, een derde tegen kiespijn, maar meestal is de gave zeer gespecialiseerd. Er is overigens niets bijzonders aan. 'Brand en pijn sta stil, in de naam van de vader en de zoon en de heilige geest'. Tegelijk wordt een kruisje gemaakt over de brandwond. En de pijn is over. Bij verstuikingen
of neusbloedingen gaat het weinig anders toe. Incantatie noemt men dergelijke 'toverij'. Vroeger hebben de belezers wel eens minder goede bedoelingen gehad. Als wij zeggen 'Krijg de ...' gebruiken we onbewust alleen maar zo'n oude toverformule waaraan men vroeger grote waarde heeft gehecht. Tegenwoordig bestaat zulk een bijgeloof natuurlijk niet meer. Wij zijn zoveel wijzer geworden, denken we. Maar bij de nummering van hotelkamers springt men van 12 over op 14, wij lopen niet onder een ladder door, want dat geeft ongeluk, als de kat zich wast komt er visite en als je 't over de duvel hebt trap je hem op zijn staart. U moet eens aan een verslaggever vertellen dat u 's nachts om 12 uur zo'n geheimzinnig gekerm op uw zolder hoort. De eerste nachten zult u dan niet slapen van de drukte in uw straat. Allemaal mensen die er niet aan geloven.
Bron: 
De Achterhoek p.162
 

ALMEN - DE HOOFDIGE BOER

Jaren was de Almense kerk alleen te bereiken via een doorwaadbare plaats. 'Men vatte koude in 't modderbad en de ijver om ter kerk te gaan bragt buikpijn en geen stichting aan' vertelt de dichter. Tenslotte kwam er een brug. Maar de hoofdige boer, Scholte Stuggink, trok heuplaarzen aan en bleef naast de brug door de modder ploeteren. Zijn ouders hadden nooit een brug gelegd, zei hij en 'al weten wij de reden niet, ’t is vast op goeden grond geschied'. En de verbaasde buren voegde hij toe 'Bouwt gij een brug om droog te gaan, ik kom er ook, met laarzen aan'. De brug die in die dagen de gemoederen in Almen zo in beweging heeft gebracht is er al lang niet meer. Ze is vervangen door een duiker op die plek in de Almense Binnenweg, even buiten het dorp.
Verteller: dichter A. C. W. Straring
Bron:
De Achterhoek p.37
 

GELSELAAR - STEFANUS

In Gelselaar wonnen Stefanus. Dat was un saort dokter. Hee had veural verstand van paerde. Bi'j Elbelink in de buurtschap Heure onder Borkelo ha'n ze ut paerd zeek. Ut had koliek. Den boer stuum de knech naor Stefanus hen. Of den wol kommen en kieken is naor ut paard. Jao, dat was good. Hee zol zo kommen. Maor zee mochten ut paerd neet oet den stal halen. Hee mos der in blieven. De knech zae, dat e wal met kon veurn, maor dat wol Stefanus neet. Hee kwam wal. Ton Stefanus op de boerderi'je kwam, was de knech der nog neet waer. Ik kan wal zeen, zae Stefanus, da'j ut paerd oet den stal hebt ehaald en ik had dat nog zo ezegd teggen de knech. A'j ut paerd oet den stal haalt, mot ik der ok oet. Maor ik zal ut toch nog prebaern. En dat heelp. Hee kreeg um toch waer baeter. Ton de knech waerkwam, was Stefanus al waer op hoes an. Toch had den den kortsten weg enommene. „Hoo kan dat"? vroog e an de boer. „Ik heb onderweggens op de brugge wal ne zworte katte zeen lopen. Dan mot e dat wezzen ewest.
Bron: De oele röp
 

NEE
DE  -  DE KAMP
Hansam Bey heeft nooit bestaan. Lang geleden is er een verhaal gepubliceerd over een graaf Van den Berg, die door de Turken krijgsgevangen zou zijn gemaakt bij het beleg van Wenen in 1683. De Turkse pasja, Hansam Bey, nam de gevangene mee naar zijn landgoed en liet hem daar allerlei zware baantjes opknappen. De graaf wist te ontsnappen, trok opnieuw ten strijde, en wist op zijn beurt zijn vroegere meester gevangen te nemen. Hij voerde de Turk Hansam Bey mee naar Neede, waar hij op de Kamp woonde. Daar behandelde de graaf de Turk zo Goed, dat die zich tenslotte tot het christendom bekeerde.

Men denkt overigens dat dit verhaal uit de duim is gezogen. Waarschijnlijk was men geïnspireerd door de drie halve manen in de put op het voorplein van het huis de Kamp bij Neede. Maar die zijn niet Turks. Ze behoren tot het oude familiewapen op de put.
Bron:
De Achterhoek p.192
 


Er is nog een fraai verhaal bekend omtrent Huize de Kamp. Het wapen van de Tengnagels bestaat uit drie wassenaars (dit zijn halve manen), die waarschijnlijk hun oorsprong vinden in Turkije. Bij het beleg van Ofen werd een Turk, Hansam Bey, gevangen genomen door een graaf van den Berg, die voordien – tot zijn ontvluchting - als slaaf voor deze Turk gewerkt had. Ze werden vrienden en woonden na terugkeer van de graaf in Gelderland, nog jaren lang samen op de Camp.
 

Harmen oet Borkelo vroog is ne kaere of e met mog rien naor Zutphen hen. Dat vroog e an Sprokkereef. Ut was ne kippenkoop-man. Sprokkereef had dat wal gaerne. Dan had e onderweggens gezelschop. Den hoonderkraemer zetten ziene marse op den wagen en ton reen ze weg. Onder Warnsveld zeg den man: Zee, daer steet ok nog un hoes in de brand. Ik zee niks, zae Sprokkereef. No, kiek dan, daor. Ut steet joo in volle vlammen. Zee praoten der nog effen ovver, maor Sprokkereef zoog niks. Den andem dag veurt ze waer trugge en ton zut Sprokkereef, dat ut betrokken hoes in de aske ligt. En den veurugen dag was der niks an te zene ewes. Maor den man kon dat veuroet zeen.
Bron: De oele röp
 

GELSELAAR - STEFANUS

Denzelfden Stefanus leep is ne kaere op Zutphen opan. Onderweg kwam um ne kael integgen en den had minder goeje hedoelingen. Den wol um beroven. Halt, zeg de kael teggen Stefanus, maor den leep gewoon deur. En nog ins waer, halt. Maor Stefanus trok der zich niks van an. Veur de daarde kaere zae den man: Halt, zeg ik ow. Ton begon ut Stefanus te verveelne. Ik holle neet halt, zae te, maor i'j. En den kael kon neet maer wieter. Hee mos op de plaatse blieven staon. Onderweg kump Stefanus Sprokkereef oet Borkelo teggen. Den geet waer op hoes an. Den veurn regelmaotug op Zutphen. Stefanus zeg teggen um: A'j straks un ende wieter komt, dan steet der ne kael langs de weg. Zeg um maor gondag, maor i') zölt marken, hee sprek neet. l'j zegt um allene maor, dat e oet mienen name waer wieter kan gaon. Dat deed Sprokkereef en ut ging allemaole precies zoas Stefanus had ezeg.
Bron: De oele röp
 


LAREN - DE VEURKIEKER

Op de Dorthermolen in Laren was eens een muldersknecht. Die man was met de helm geboren, 's Nachts moest hij opstaan om de hekken te openen voor een begrafenisstoet. Ook hier waren meer van die veurkiekers. Een oude boer in Verwolde hoorde 's nachts lawaai op de deel. Hij ging kijken en kwam doodsbleek terug. Wat hij gezien had wilde hij niet zeggen, maar een maand later lag hij op het kerkhof. En toen een oude boer in Laren stierf begonnen die nacht de planken bij de timmerman vanzelf tegen elkaar te rammelen.

Bron:
De Achterhoek p.242
 

OELENSPEGEL

Oelenspegel was bi'j ne klaermaker. Ton zae den teggen um: Noo mo'j dat zo naejen, dat ze ut neet zeen kont. Ton ging hee onder de waskupe zitten. Ton zienen baas um later vroog, wat of e deed, «ae te: Zoo zeet ze der niks van.

Oelenspegel vroog is ne kaere naor de weg. Hee vroog ut an ne boer op ut land. Den wees um dat en zae: Zee'j daorgunds dee roeten. Daor mo'j anin. En Oelenspegel trad dwars deur de roeten hen, ton e bi'j ut hoes was. Dat hef den gunnen man ezegd, zae te, ton ze um der op wollen.
De oele röp. Verz. door Henk Krosenbrink

Ut Oelenspegel was ok is bi'j ne boer an ut wark ewes. Of eigeluk neet an ut wark, want hee deed neet volle. De boer was an ut bouwen. Ut was winterdag en hee kreeg de hande kold. Hee vroog an ut Oelenspegel, of den um de hansken wol halen. Dat wol den wal en hee ging op hoes an. Achter thoes kwammen um de twee meide temeute. „Ik zol met ow beiden naor bedde gaon, hef de boer ezeg", zae ut Oelenspegel. „Och wat," zaen de daerns, „met uns beiden. Dat hef e neet ezegd." „Dat is wal waor," zae Oelenspegel. „Ik zal ut um wal vraogen, dan kö'j ut zelf heurn." Hee zetten de hande an de mond en reep naor de boer op ut land. „Met ene of met allebeide". Den boer schreeuwen trugge: „Met allebeide, dow kuken," want an ene hanske had e niks. „Zee') wal," zae ut Oelenspegel, „noo hè'j ut zelf können heurn".+

Ut Oelenspegel kwam is bi'j ne bakker den ne knech zoch. Den huurn um too. Hee zol ut mael zichten, dan kwammen de zemmels apart. Hee vroog bi'j zien wark umme ne lampe, anders kon e neet zeen. Den bakker zae, dat den veurugen knech, dat zichten in de maoneschien had edaone. Dat kon hee ok wal. Ton trok ut Oelenspegel der met naor boeten en smet ut mael in de maone op de grond. Zienen baas vroog: Wat doo'j toch? Want al ut mael was bedorvene. Maor Oelenspegel zae: l'j hebt zelf ezeg, dat ik ut in den maoneschien zichten moste. Den bakker hef um too weg ejag.

Un ander maol was e knech bi'j ne klaermaker. De baas zae teggen um: Hee zol maor effen un paar mouwen in ne jas smieten. Hee zelf mos weg. Dat was wal good. Ut Oelenspegel smet met de mouwen naor den jas, maor ut heelp niks. Ton de baas waerkwam, was e nog neet klaor. Den kek zich dat domme spil an en ton worden e daor ok weg ejag.
Ton verhuum hee zich bi'j ne boer. Hee zol maor gaon mestveum. Ton ut Oelenspegel vroog, hoovölle mest der op ut land mos, zae den boer: l'j mot ut land zon betken de mest laoten roeken. Hee bedoelen, dat der maor zon betken op mos. Oelenspegel pakken zich de kaore vol en reed ton ower ut land en hee raem de hele tied maor deur: Land roek mest, land roek mest, maor hee smet der gin grepe vol af. Wat doo'j toch noo? vroog de boer. Ik moste ut land de mest laoten roeken, zae Oelenspegel maor ut hölp neet. En ton worden hee daor ok weg ejag.
Bron: De oele röp
 

ZIEUWENT - NIKLAOS

In Zuwwent laeven ne man, den was onewettend stark. Hee heten eigeluk Mennink, maor zee neumen um Nikolaos. Naobers hebt wal is ezene hoo te met de vrouwe zo op de platte hande langs de hoondernuste leep, dee in de schoppe op de hilde zatten. Dan kon ze zo in de nuste kieken.
Daor kwammen is ne kaere un paar kaels en dee wollen wal is zeen, waor den starken Nikolaos noo wonnen. Hee was net met twee ossen veur de ploog an ut bouwen. Ton namp e de ploog zo bi'j ut achterende en wees der met op hoes an. De ossen heengen der nog an en geleuf maor dat dee öskes de beenkes nog gingen. Zien dochter was ok al zo stark. Dee nam onder eiken arm ne zak met iezermael, ieders van 200 pond, en droog dat de schoppe in. (iezermael = Thomasslakkenmeel).
Dagens veur zienen dood hef e nog rejaal weg de knöppe van de steule afedraejd. Knats der af. (Van ouderwetse boerenstoelen). Hee kwam ok is ne kaere bi'j ne boer an de praot en daor hadden ze ne kaetel op ut vuur staon met veevaor. En van dat hanghaol hef e zo den iezern knop dichte edrukt.

Hier in Zuwwent in ut Melkvaene wonnen ok ne onmundugen starken kael. Niklaos heten e en hee kwam eigeluk oet Pruussen, waor hee dissertaerd was. Op ne broedlachte zat e ne kaere röstug in de kökkene te praoten. Op de daele wazzen ze drok an ut dansen en opins kump der ene de kökkene binnen stoeven en zeg: Niklaos, daor is ruzie. Hee steet op van den stool, geet naor daele en grip un stalvarskel zo oet den stal en daor sleut e met tussen de vechtende leu. Maor hee had gaar neet emarkt, dat an ut varskei nog un jaörug kalf zat vaste ebonne. Zo stark was Niklaos. Op ne andere kaere was e achter ut hoes an ut rogge maejen. Ton kwam ne koopman oet Lechtenvaorde, Bos, en den vroog: Niklaos, is der nog wat te handeln. Jao, zeg Niklaos, ik heb nog un kalf-ken. Maor ik hebbe gin tied, gaot allene maor hen kieken. Bos ging der hen en bezoog zich dat kalf. Ton ging e waer naor ut land en daor zoog e Niklaos op de knene in de rogge liggen. Hee had un nus met eiere evonne en der laggen al tien laöge döppe. Niklaos knikken zich nog un ei en ton e den bast der af sloog ging ut van : piep, piep. Dat ha'j aerder motten zeggen, zae Niklaos en alles ging naor binnen hen. Nó, zae Bos, noo göf ut mi'j ok gin wonder, da'j zo stark bunt.
Hee had der ok adugheid in, as e bi'j ene op vesiete was, umme den iezern haöke van de haolkettene met den domme dichte te
kniepen. At gin mense ut zoog. En dan konnen de leu der later den vaorkaetel neet maer anhangen.
Hee was ne kaere op de mölle. In dee dage worden der deur de kommieze zand' deur ut mael edaone. Daor zat belastinge op ut broodmael. Niklaos had der net un baaltjen deurhen, ton de kommieze kwammen. Hee nam zich zonne koovoot, den daor ston en draejen dat dinge tussen domme en vinger in de hande rond. Net zon latjen. Hee bleef op zienen zak zitten, maor gin kommies den zienen zak naokeek.

Un ander maol kwam ne naober bi'j um lopen. Den bolle is mi'j lilluk ewordene. Ik waoge um neet maer oet de weide te halen, want dan mek e mi'j af. Wi'j efkes metgaon? Dat wol Niklaos wal. Hee leep met en ging de weide in. Den bolle kwam hard op um af, maor Niklaos pakken um bi'j de haörne en drillen om zo in de rondte. Ton wol den bolle zich wal laoten wegbrengen.
Bron: De oele röp. Henk Krosenbrink: Met zienen kammeraod was e is ne kaere in Grolle en zee zetten zich in un café. Daor wazzen ok twee Grolse jonges en dee prebaem eurleu altied op de tene te traene zoas ze an ut taöfeiken zatten. Dee jongens dansen der veurbi'j en ut zal wel karmisse wezzen ewes. Zienen kammeraod dachte nog : Ongelukkig den jonge wel ut lukket umme um op de tene te traene. Ton kump ene van de beide jonges op um af en göf Nikolaos ne plaer an ut gezichte. „Zo doo wi'j dat met de boem" zae te. Maor Nikolaos pakken um en zienen maot achter bi'j ut kruus van de bokse en stot ze un paar kaere naor bovven met ut heufd teggen den zolder. Ton smeet e ze beide deur un raam naor boeten hen. Hee vroog an den kastelein : Wat kost mi'j dat, want de roeten wazzen kapot. Maor den zae : I'j hooft niks te betaalne. En a'j wilt, dan köj aw waer dansen hebt, hier wal kommen en ne riksdaalder verdenen. I'j hebt vri'j drinken, a'j allene de ruziemakers der maor oet smiet. Hee was ok is ne kaere an ut polen ewes. I'j ha'n der vrogger van dee plaske met wat reet der op, zowat ne halven hektare en daor ston dan ne plaggenhutte bi'j. Ne meter hoge zo umsgevaer en ne twee meter in de rondte. Daor zatten un paar scheetgaetere an de waterkante en an de andere zied un rond gat, waor i'j zo deur konnen kroepen. I'j nammen un paar lokenden met dee op den plas zwommen en in un köwken, nam i'j ne waeke met. At de lokenden te wied weg wazzen ezwommene, dan pakken i'j de waeke bi'j den start en dan begon e te kwakene en de enden kwammen waer trugge. Zatten der noo wilde enden bi'j op den kolk, dan schot i'j. Ut moch eigeluk neet want ut was streupen. Nikolaos zat ok in de hutte en too kwammen der twee plietsies an. Hee ze naor boeten kommen, verordenaern ze. ,,Ik komme nog vroo ge nog", zae te. Hee krop oet de hutte en vrog: Krieg mi'j is effen bi' den scholder en help mi'j is ovverende. Ut gewaer had e laoten lig gen in de poolhutte. Ton hef hee eur anepakket en vroog of ze wa good schone wazzen. Hee wribbeln eur hennewaer of e an ut was ken was en iederbods sloog e eur met de heufde deur ut wate en teggen mekare an. Naor ut zetken zae te : Noo zö'j wal schon wezzen en daor is de weg. En geleuf maor, dat ze gauw we wazzen.
Hee ging ne kaere naor d'e karke en zienen maot zat achter in d karke te baeten. Hee lag op de knene, maor hee zoog um kommer Hee fluustern um effen de tied van den dag too en umme den ui betken te plaogen veulen hee um zo iets an de knee. Maor den ha later de dommen in ut vel staon.
Op ne kaere zat ter un vaor heuj vaste. En good vaste. Nikolao kwam der langs en zae : Doot dat ösken der maor veur hen. Ei ton hef e heel allene den wagen los etrokkene. Daor ston un hoes in brand en ut kammenet met de klaere da brannen al. Ton hef hee zo de ziedmure der oetedrukket, zodat d ribben op ut kammenet velen. Ton hef e de kaste anepakket e: naor boeten hen ebrach. Met un paar emmer water hebt ze i kammenet oetemaokt en de leu helen al eur klere nog. Zien kleindochter was ok stark, want dee kon zo 160 tot 170 pon aerpels op de kaore beurn. Van de ziedkante ovver ut rad.
Bron: De oele röp
 

BEEK - DE BYVANKSE SCHIMMELRUITER

Daor geet hier ok un verhaal van ne schimmelruiter. Bi'j de Bi'jvank mot vrogger nog un kasteeltjen hebben estaone. Dat was un saort jachtslot. En dan zogen de leu ne schimmelruiter onder de paorte hen kommen en den ging langs ut schimmelrieders-laantjen. Dan deur ut Oelengat, ovver den Bi'jvank, langs den Holtpas, wat vrogger ne olde boerderi'je was, langs den Schaopsweg en dan naor den Bargerbos. Zee vertellen der bi'j, dat der ne kael zonder kop achteran eslöpt worden. Daor is miskiens wal ne verklaoring veur. De vaorleu, dee vrogger van Beek afkwammen en dwars deur den Bargerbos mosten, kwammen ze met un laög paerd integgen. Daor sloppen den dissel achteran. Dat paerd mos helpen trekken teggen den barg op en miskiens hebt ze zon laög paerd is zeen lopen. Umme ut waor te maken, vertellen ze derbi'j: De pastaor hef ut ok ezene.
Bron: De oele röp p. 167
 

BEEK - DE TEMPELIEREN

Vrogger mot bi'j den Bi'jvank ok un hoes hebben estaone van de Johannieters of van de Tempelieren. Dat wet ik neet maer. 's Nachts umme twaalf uur, kö'j ze nog zeen trekken. Dat neumt ze altied nog Johannieter of Tempelierenbos.
Bron: De oele röp - p.168
      
 

HUMMELO - DE BOERDERIJLUIKEN

In Hummelo behoren een aantal boerderijen toe aan huis Enghuizen. Een aantal hofsteden dragen nog steeds Russische namen, gegeven door één van de heren van Enghuizen. De pachters van deze hofsteden zijn nog altijd verplicht, de luiken van hun boerderij in de kleuren rood en geel te schilderen.
 

BREDEVOORT - KASTEEL BREDEVOORT


In kasteel Bredevoort - vermoedelijk gesticht rond 1150 - lag ’n grote voorraad munitie opgeslagen t.b.v. de 80-jarige oorlog. Het ksteel werd echter op 12 juli 1646 door de bliksem getroffen en vloog hierdoor in de lucht en 19 mensen + 20 Bredevoortse inwoners vonden tijdens deze ramp de dood.
 


Rovers in de Gelderse bossen

Rovers maakten in de vorige eeuwen de Gelderse omgeving behoorlijk onveilig.  De sagen over rovers en roversplaatsen worden vaak verteld met bewondering en met angst en vrees. Enkele namen komen telkens weer terug. Schinderhannes met zijn bende, de Achtkante Boer, Platte Thijs. Zelfs de politie waren ze vaak te slim af. Ze trokken vaak van oord tot oord en overnachtten in de struiken of bossen of in de herbergen, met als enig doel de reizigers te bestelen.
 

naar boven
DE DRIE KIEFTEN

't Hoentjen was vroeger een herberg aan de Hessenweg, net als de Lebbenbrugge, die openluchtmuseum is geworden, en de Driekieften, die nog steeds herberg is. Langs deze weg moet men de oude verhalen over moord en doodslag zoeken. In de Driekieften kwam op een avond een reiziger toen de vrouw al in de bedstee lag. Hij bestelde een kruik bier. Maar terwijl de herbergier naar de kelder ging om die te halen, ging de kerel met een bijl boven het trapgat staan. Zodra het hoofd van de herbergier te voorschijn kwam sloeg de vreemdeling er zijn bijl in. Vervolgens was de vrouw in de bedstee aan de beurt. Maar de zoldering was zo laag dat de man geen flinke zwaai kon maken. In haar wanhoop wist de vrouw hem de bijl te ontwringen. De rover nam de vlucht toen hij mensen hoorde naderen. De koetsier van het Joppe rende hem te paard achterna, en wist zo de man te achterhalen. Het was een scharenslijper, die in december 1746 geradbraakt is.
Zulke bloedige verhalen kan men u op 't Hoentjen niet vertellen. Van het oude Hoentjen, dat Heuvel zag met het jaartal 1018, is niets over. Dat jaartal is al zoek geraakt bij een verbouwing in 1896.
Bron:
De Achterhoek p.265

n.b. De Drie Kieften was de naam van een herberg aan de rand van het eenzame kieftenveld, waar op het uithangbord drie kieviten geschilderd waren, met daaronder het rijm:

Deze kieften kunnen u niet vermaken,
kom binnen en proef de drank, die zal u beter smaken.
Bron: Oud Achterhoeks Boerenleven.
 

DE WOESTE HOEF

Al in de middeleeuwen stond er halverwege Arnhem en Apeldoorn een herberg op "Woest Hoef". paarden werden er ververs en de inwendige mens versterkt of men warmde zich bij het haardvuur. 's Nachts bood de herberg bescherming tegen bandieten, die het gemunt hadden op de bezittingen van de passagiers van de postkoetsen. Schepers, boeren en stropers kwamen er bijeen om te pandoeren.
Bron: onbekend
 

MALDEN

Een ander roofslot was slot Malderburg te Malden. De roofridders, die daar woonden, sloegen altijd, als ze op roof uit gingen, de hoeven van de paarden er verkeerd onder: dan zocht men hen waar ze niet waren.
Bron:
Gelders Sagenboek p.182
 

EIBERGEN - ROOFSLOT MALLUMERHAAR


Midden in de Mallumer Haar bij hoeve Assink heeft een roofslot gestaan.
Een geduchte ridder maakte van hier uit de omtrek onveilig. Later was hier een jachtslot van baron Mulert, die eens van een jachtpartij teruggekeerd, te paard naar binnen galoppeerde, en er al het breekbare brak.
In dolle roes wilde hij eens met zijn paard over " 't verloat" van de sluis springen, maar het dier weigerde. Wel reed hij er mee tussen de draaiende wieken van zijn windmolen te Rekken door. Het was zijn liefste wens met laarzen en sporen te worden begraven, want hij wilde ook in de hel rondrijden, zei hij.
Bron:
De Achterhoek p. 182

Eens moet hij gewed hebben dat hij met de eerste slag van twaalf weg zou rijden bij de kerk te Eibergen en met de laatste slag in Zwilbroek zou zijn. Een afstand van ongeveer 8 kilometer. Hij moert nog hebben gewonnen ook.
Bron: De oele röp p.45
 

RHEDEN DE STEEG - ONZALIGE BOSSEN

Uit een legende blijkt dat een roversbende hier een waar schrikbewind voerde. Geen enkele wandelaar keerde na een uitje in het bos terug. De 'gasten' van de bende werden beroofd en op een vreselijke manier afgemaakt. Dat gebeurde onder leiding van ridder Arnoud van de Dennenheuvel. Hij was verantwoordelijk voor de naam die het bos tot op de dag van vandaag nog steeds draagt. Zij het dat het gevaar voor de wandelaars is geweken. Tegenwoordig is het Onzalig Bos een zalige plek om de zakelijke of privé-beslommeringen in elk geval tijdelijk te vergeten.
Arnoud van de Dennenheuvel, die volgens de legende in een eenvoudige hoeve woonde, dacht daar indertijd heel anders over. Hij was hopeloos verliefd, zo zegt de legende, op de uiteraard enige en beeldschone dochter Gertrude van de graaf, die Kasteel Middachten bewoonde. De graaf had de hand van zijn dochter echter voorbestemd, aan de zoon van een baron. Tijdens een jachtpartij ontstond tussen de twee een ruzie waarbij de zoon van de baron door Arnoud van de Dennenheuvel per ongeluk dodelijk werd verwond. Van de Dennenheuvel nam de benen. Tijdens zijn zwerftocht door Europa redde hij het leven van een vorstin en als dank sloeg de koning hem tot ridder. Schatrijk keerde Heer Arnoud terug in Gelderland. Hij besloot onderdak te vragen in Kasteel Middachten in de hoop dat Gertrude daar nog zou wonen. Op weg daarheen werd Arnoud van de Dennenheuvel het slachtoffer van een overval. Vrijwel alle juwelen werden ontvreemd. Tijdens het gesprek met de huidige bewoners van de burcht waarbij de drank rijkelijk vloeide, werd het doel en de achtergrond van de onbekende ridder duidelijk. Ridder Arnoud werd levensgevaarlijk gewond bij de vechtpartij die volgde. Uit wraak sloot hij zich later aan bij de roversbende die dood en verderf zaaide in het Onzalige Bos. Deze bandieten vielen de bewoners van het kasteel tijdens een jachtpartij aan. Daarbij werd Gertrude door een verdwaalde pijl getroffen.
Zij stierf in de armen van Ridder Arnoud. Van deze roversbende is echter al vele tientallen jaren niets meer vernomen. De komende kerst- en vakantiedagen kunnen natuurliefhebbers dan ook op hun gemak in het Onzalige Bos bijkomen van de vele maaltijden.
Ridder Arnoud zal hen de voet niet dwars zetten.
Bron Jan van der Wal (amateur historicus - Artikel Gelderlander 2001)
 

EPSE   'T
  SPINNEWIEL

Tevoren was de reis Zutphen-Deventer, te voet, te paard of met een koets niet zonder gevaar, zelfs voor degene die de grote weg hielden. In oude gerichtsprotocollen vindt men daar de weerslag van, zoals het verhaal van de herberg het Spinnewiel te Epse. Het huis staat er nog steeds. Maar de herbergier is anderhalve eeuw geleden in de gevangenis te Zutphen gestorven.

Men was blij 's avonds onderdak te kunnen vinden om de volgende dag de reis welgemoed weer te kunnen aanvaarden. Voor menige reiziger is die volgende morgen nooit aangebroken. Het Spinnewiel was een echte moordenaarsherberg. Een arme sloeber kon er rustig gaan slapen. Maar menige rijke koopman heeft in dat kleine huis een angstig laatste ogenblik beleefd, als de waard hem bij de keel greep om hem naar de kelder te sleuren. Er moeten zich bloedige drama's hebben afgespeeld in dat keldertje. Daar zijn mensen verdwenen waarvan niemand ooit iets heeft teruggevonden of teruggezien. De volgende morgen ging de zon op en de waard voerde zijn varkens alsof er niets was gebeurd. Maar wie 's avonds zo vrolijk was binnengestapt kwam er niet meer uit. Het laatste slachtoffer is een kousenkoopman geweest. Hij zat daar zo rustig en niets kwaads vermoedend aan de tafel, toen de herbergier de mouwen om zijn gespierde armen opstroopte. Toen de waard behoedzaam op hem af kwam drong de verschrikkelijke werkelijkheid plotseling tot de koopman door. Hij gilde van angst. Maar de ander had hem al beet en sleurde hem naar de kelder, waar hij de weg van al zijn voorgangers zou gaan. De man bleef schreeuwen en zich verzetten. Tot de dienstbode het broodmes greep en hem met een ferme haal de keel afsneed.

De buren hadden het gegil gehoord en zo is het bedrijf van de waard uit het Spinnewiel aan het licht gekomen. De volgende dag heeft men hem opgehaald en in de gevangenis te Zutphen is hij aan zijn einde gekomen. De gloriedagen van het Spinnewiel waren voorbij; de verkeersweg werd later omgelegd, en de oude Hessenherberg de Pessink kwam nu weer aan het verkeer te liggen.
Bron:
De Achterhoek p.256
 

DE KOZAKKENWINTER IN 1813-1814

Het was een zeer strenge winter. Het vroor dat de bomen knalden als geweerschoten, als er weer een vorstbarst in sprong.
Over de komst der Kozakken wist men vroeger nog veel te vertellen. Zij waren allerzonderlingst toegetakeld met lange jurken, schaapsvachten. Franse uniformen en zo voorts: er waren er die drie, vier stel kleren over hun uniform droegen.
Hun wapens bestonden uit lange pieken en pistolen; zij bereden sterke, kleine stekelharige paarden, waar zeer hoge zadels op lagen. Terwijl de officieren bij de burgers ondergebracht werden, legerden de mannen zich op de Vetkamp. Grote vuren werden er ontstoken, waartoe alles, wat op hout leek, werd gebruikt; daar omheen zaten de manschappen, die inmiddels hun paarden van het nodige hadden voorzien. Nadat zij wat ontdooid waren — het was een gure Novemberavond — werd hen jenever in vaten en emmers gebracht. De kerels slurpten uit de emmers, zoals bij ons de paarden doen of lepelden de drank met pollepels op.
Toen alle jenever opgedronken was, werd er nieuwe gebracht, die nu met peper werd vermengd. Daarna werden een tiental koeien geslacht en de afgehakte stukken werden ongevild boven de vuren, aan de pieken gestoken, geroosterd en verslonden. De ingewanden werden in grote varkensketels gestampt, met roggebrood, azijn en zout gemengd, waarna er soep van werd gemaakt. Toen deze klaar was, werden er nog bossen vetkaarsen in gesmolten.
Nadat allen verzadigd waren, stelden zij wachten bij de vuren, waarna het bivak weldra insliep.
De volgende morgen tegen negen uur vertrokken de Kozakken naar Amersfoort, uiterst tevreden over het onthaal: velen pakten een stuk rauw vlees onder hun hoge zadels, om dat murw te rijden, en menige kruik jenever hing hen als patroontas op de rug.
Bron:
Gelders Sagenboek p.165 
 
Bron:

Bommenberend

Na zijn dood heeft de legende zich meester gemaakt van Berend van Galen. In stormachtige nachten zag men hem op een woest paard langs de wolken razen. De een vertelde dat hij op een vurige wagen door de lucht joeg, de ander noemde hem het mannetje uit de maan of de aanvoerder van de wilde jacht Groenlo zou hij hebben bespioneerd in de vermomming van een kippenkoopman. Hij loerde er alles haastig af en zo konden zijn mannen de volgende dag zegevierend binnen trekken. De schansenbulten onder Eibergen moeten nog aan die belegering herinneren.

naar boven
BOMMENBEERND

De rust werd echter nog enkele malen verstoord door Bommen-Berend:... 'heeft de geestelijkheid de reinheid van zeden, de k
erk de schoonheid en het vaderland de rust weergegeven... veel roemvols tot stand gebracht... stierf, door koorts aangegrepen, op het slot Ahaus een roemvolle, rustige en vrome dood, tot droefheid van onderdanen en naburen'. Dat staat in gouden letters op het na Wereldoorlog II gerestaureerde grafmonument van vorstbisschop Christoph Bernhard van Galen in de eerbiedwaardige Sint-Paulus-dom van Munster.

Rondom dit vrome grafschrift echter staat een bronzen hekwerk dat gegoten is van buitgemaakt kanonnen, buiten op de Domplatz zingen de kinderen nu nog 'Berndken von Gaolen - Kan pupen un praolen - Kan stincken un leigen - Und Lüde bedreigen', in Groningen noemt men de bisschop Bommenberend, in de Achterhoek Munsterse koodeef, en in vrijwel alle geschiedenisboekjes kan men lezen dat het zwaard h
em gemakkelijker in de hand lag dan de kromstaf, dat de helm hem prettiger zat dan de mijter en dat kruitdamp zijn reukorgaan meer welkom was dan wierook.

Be
rend van Galen heeft oorlog gevoerd tegen vrijwel alle Europese landen. Tegen ons land heeft hij eigenlijk voortdurend gevochten. En de droefheid der naburen zal hier wel vermengd zijn geweest met een gevoel van opluchting.
De Franse zonnekoning was soms zijn bondgenoot, soms zijn tegenstander, en hetzelfde geldt voor de Duitse keizer en de keurvorst van Brandenburg. Samen met de keizer vocht hij tegen de Turken, maar naderhand werd hij beschuldigd van verraad.
De keizerlijke gezanten die hem kwamen arresteren liet hij vierendelen.

De tragiek van dit rusteloze leven ligt hierin dat hij er ondanks alles nooit in is geslaagd een levensvatbare staat te stichten, hoewel hij een vinger in de pap had bij alles wat in Europa gebeurde. Zijn leger van tachtigduizend soldaten trok her en der en boekte nu en dan reusachtige overwinningen. Tegelijk bevorderde hij zowel de geestelijke als de tijdelijke belangen van zijn beminde gelovigen. Zijn bouwmeester, de Deen Pictorius, die de knepen van het vak in Nederland had geleerd, schiep bouwwerken die de naam van zijn opdrachtgever door de eeuwen levend moesten houden. Munster zelf is de eerste geweest om de straffe hand van de bisschop te voelen. Tijdens de vredesonderhandelingen was de stad tot neutraal gebied verklaard. In mei 1648 werd de vrede tussen Spanjeen Holland gesloten en in oktober 1648 konden de kanonnen op de vestingwallen, die in deze oorlogstijd zo lang hadden gezwegen, ook het slot van de dertigjarige oorlog aankondigen. Munster wilde ook daarna de voordelige vrijheden handhaven. Maar Berend van Galen rukte op uit Coesfeld, veroverde de stad, ontnam haar de rechten, bouwde een citadel en hield haar voortaan stevig onder de duim. Munster heeft hem dat nooit vergeven, ondanks het langademige grafschrift.

Op 19 september 1678 is hij overleden, bijna 72 jaar oud. Hij is de belangrijkste vorstbisschop geweest van zijn eeuw. Na de verwarring van de oorlogen, toen hele streken waren verwilderd en ontvolkt en toen de mensen elkaar opaten van honger, kwam de ordenende macht van het absolutisme; het staatshoofd dacht voor zijn onderdanen. Zo is ook hij als een barokke heerser zijn eigen weg gegaan. In een tijd van grenzeloze verwarring heeft hij ijverig en met succes gewerkt aan het herstel van orde en religie in eigen land. Tientallen scholen zijn verrezen door zijn toedoen. Maar in tal van plaatsen in onze streken getuigden de geblakerde huizen van zijn vechtersnatuur en de leeggeplunderde stallen van de roofzucht van zijn soldaten.

Daarom is Berend van Galen blijven rondspoken in de fantasie van de Achterhoekers. Men kon zich niet voorstellen dat men hem voor goed kwijt was. In enkele jaren tijds was hij twee maal de streek binnengevallen. In 1665 stal hij het orgel uit de Eibergse kerk en in 1672 nam hij het nieuwe ook mee. De eerste keer veroverde hij met zijn 18.000 soldeniers het gehele gebied in enkele maanden. De tweede keer rukte hij op naar Groenlo dat toen een sterke vesting was met diepe grachten, zes ravelijnen en zes halve manen, met tweeëntwintig stukken geschut op de wallen. Vier dagen lang wierpen zeven mortieren hun projectielen op de vesting. Toen gaf ze zich over. Het is het laatste grote beleg van Groenlo geweest. Sindsdien zijn de vestingwerken vervallen. Borculo en Eibergen waren daarna een gemakkelijke prooi. In Lochem roofden zijn soldaten het lood van het kerkdak om er kogels van te gieten voor het beleg van Deventer, ze vernielden de ramen en stookten op de Markt een vreugdevuur van banken en preekstoel. De paarden van de bisschoppelijke ruiterij werden in de kerk gezet en in de vrij gebleven ruimte metselde men zeven ovens om er kuch voor de soldaten in te bakken.

Na zijn dood heeft de legende zich meester gemaakt van Berend van Galen. In stormachtige nachten zag men hem op een woest paard langs de wolken razen. De een vertelde dat hij op een vurige wagen door de lucht joeg, de ander noemde hem het mannetje uit de maan of de aanvoerder van de wilde jacht. Groenlo zou hij hebben bespioneerd in de vermomming van een kippenkoopman. Hij loerde er alles haastig af en zo konden zijn mannen de volgende dag zegevierend binnen trekken. De schansenbulten onder Eibergen moeten nog aan die belegering herinneren.

Dat is zo ongeveer alles wat er is overgebleven van de vorst-bisschop Christoph Bernhard van Galen, de man die oorlog voerde tegen vrijwel alle landen van Europa en die op de ontwikkeling van de Achterhoek misschien meer invloed heeft gehad dan wie ook: wat opgesmukte gouden letters van een vroom grafschrift, een aantal legenden in de streek die hij brandschatte en twintig regels in de encyclopedie. Sinds zijn dood echter pronkt de bisschop met veren die anderen op zijn hoed hebben gestoken. Want in werkelijkheid was hij noch de vrome in God verzonken heilige, noch de doorgeformeerde veedief. Hij was alleen maar een kind van zijn tijd.
Bron: 
De Achterhoek p.102/103
 

TERUG NAAR 'ALLE' SAGEN
  Terug naar alle sagen