| |
|
|
.
|
De duivel als
dier
De duivel deed zijn intrede in de Germaanse
wereld tegelijk met het Christendom. Hij is de verpersoonlijking van het
kwade, de boze geest die er steeds op uit is, de mensen van hun zielenheil
te beroven. De duivel kan de gedaante van dieren aannemen, en wordt dan
gezien als
bok, kater, hond, draak, spin, vlieg of vleermuis. |

ZUTPHEN DE DUIVEL
IN DE LIBRIJE
De Librije was een openbare leeszaal die werd opgericht door twee
kerkmeesters, Conrad Slindewater en Herman Berner. Uit archiefstukken
blijkt dat een belangrijke doelstelling van de Librije was, de mensen voor
het "ware" geloof te behouden door hen "goede" boeken te laten lezen.
Conrad Slindewater, meende dat mensen door het lezen van de juiste boeken
wel van hun dwalingen werden genezen en op het rechte pad zouden blijven.
Onder de bezoekers moet zich Jaromir hebben bevonden. De jonge monnik
bezocht de Librije en werd er een nacht opgesloten. Volgens een
dichterlijke vrijheid door toedoen van de duivel in de gedaante van een
hond. De hellegeest wilde Jaromir straffen toen die een kippenboutje
oppeuzelde. Wie dat niet gelooft, moet maar eens goed naar de pootafdruk
van een hond in een plavuis van de bibliotheek kijken. Honden komen toch
niet in zo'n gebouw, duivels wel, die kunnen door muren en deuren heen hun
slachtoffer benaderen.
Bron: gedicht van de dichter Staring
|
ZELHEM - DE HOND ZONDER
KOP
Het wief bij het kasteel en de hond zonder kop. Het zijn Zelhemse
verhalen, die in de vergetelheid zijn geraakt. De gemeente Zelhem wil deze
en andere verhalen en gebruiken weer boven tafel hebben.
'Op het hek bij de ruïne van het oude kasteel in Zelhem zat vroeger een 'wief'
in een wit laken gehuld...'
"Het lijkt een deel van een oude sage of legende, maar is het dat ook? De
zin komt voor in het Gelders Sagenboek van de schrijver J.R.W.Sinninghe. Hij was
veel meer verzamelaar dan schrijver van sagen en legenden."
Geen idee waar dit over
gaat. Ik hoop dat iemand me hier meer over kan vertellen.
(Mail de webmaster Marianne)
|

De duivel als
mensDe duivel
als mens is meestal gekleed in het zwart, met bokkenhoorns, bokkenpoten of
paardenhoeven, met een bokbaardje en met een staart. De hoorns zijn maar
klein en de bokkenpoten en z'n staart weet hij te prima verbergen. Hij
bedriegt de mensen en zet ze aan tot kwaad, vloeken en teveel drinken. Van
heksen wordt beweerd, dat ze een pact met de duivel hebben gesloten.
|

LICHTENVOORDE - DE BEDROGEN DUIVEL
In de buurt van Lichtenvoorde waren eens een paar jongens in een café aan
het kaarten. Het ging er grof naar toe en een van de jongens moest het
kunnen en verspeelde voortdurend, hoe mooi de kaarten ook waren, die hij
in zijn hand had. Het was of de duvel er mee speelde.
Maar toen kreeg hij een hele mooie kaart in handen en hij zei in een
overmoedige bui tot de anderen: 'Dit keer kunnen jullie mij niets maken.
Ik heb nu zo'n mooi spel in handen, dat ik dit spelletje zeker win. En als
ik mocht verspelen, dan mag mij de duvel komen halen.'
Het is natuurlijk nooit verstandig de duivel op te roepen, want je kunt
maar nooit weten. En zo ook in dit geval. Het bleek dat een van zijn
makkers nog betere kaarten had dan de jongen en weer moest hij het loodje
leggen. Zijn makker troefde hem weer af en de jongen moest nogmaals
betalen. Terwijl hij dat een beetje mismoedig deed, korzelig over de pech,
die hem achtervolgde, werd er op de deur geklopt. Toen er 'binnen' werd
geroepen, stond daar in de deuropening de duivel, die grijnsde. 'Ik ben
hier geroepen,' zei hij. 'Ik zou iemand komen halen, als hij zijn spel bij
het kaarten zou verliezen. Welnu, hier ben ik.' De jongens schrokken
geweldig en vooral degene, die zo overmoedig was geweest om hem op te
roepen. 'Nu vlug maar een beetje,' zei de duivel. 'Ik heb geen eeuwen de
tijd. Kom mee.'
De jongen, die verspeeld had bij het kaarten, graaide zijn kaarten ten bij
elkaar, want je kon nooit weten, hoe je ze nog nodig had, en deed ze in
een grote leren knip, die hij bij zich stak. 'Nou, als het dan moet wezen,
dan moet het maar,' zei hij. Hij groette zijn makkers en ging met de
duivel mee. De anderen bleven verschrikt achter en dachten dat ze hem
nooit terug zouden zien.
Toen de jongen zo naast de duivel voortliep, het was niet stikdonker
buiten, omdat zo nu en dan de maan achter de wolken heen kwam kijken,
bedacht hij zich hoe hij de duivel te slim af zou kunnen zijn. Veel zin om
met de duivel mee te gaan, had hij niet en hij was iemand, die anderen
vaak te slim af was. Behalve dan die avond bij het kaarten.
Hij vroeg aan de duivel: 'Ik heb gehoord, dat je alles kunt? Is dat zo?'
'Natuurlijk,' zei de duivel. 'Ik kan alles. Daar ben ik duivel voor.' 'O,'
zei de jongen. 'Ik dacht, dat dat zo maar een beetje grootspraak was.'
'Wis en waarachtig niet,' zei de duivel weer. 'Ik kan alles. Zeg maar wat
ik doen moet.' 'Nou, ja,' zei de jongen, 'kun je je dan ook heel groot
maken. Veel groter dan de andere mensen. Zoals die ... nou ja, zoals die
populieren hier langs de weg.'
In het maanlicht glinsterden de bladeren van de populieren en de bladeren
ratelden in de avondwind.
'O, dat kan ik best,' zei de duivel en 'roeftie' daar stond een grote
populier midden op de weg.
De jongen keek omhoog en hij moest zijn hoofd ver in de nek houden, zo
hoog was de boom.
'Je kunt er wat mee,' zei hij bewonderend. 'Dat had ik niet gedacht. Maar
ik zie nou, dat je het werkelijk kunt.' De duivel maakte zich weer klein
en nam zijn gewone menselijke gestalte weer aan. Hij grinnikte. 'Zie je
wel, dat ik alles kan,' zei hij.
Ze liepen een ogenblikje zwijgend verder, tot de jongen weer begon.
'Dat van die populier vind ik erg knap,' zei hij. 'Maar toch lijkt me dat
nog niet het moeilijkste. Een beetje uitrekken, de armen hoog opsteken en
de nek een beetje langer maken. Dan kom je al een heel eind. Na een beetje
oefening zou ik dat ook misschien wel kunnen. Maar klein maken, heel klein
maken. Dat lijkt me veel moeilijker.'
De duivel, die zich een beetje ergerde aan de geringschattende manier
waarop de jongen over zijn kunst sprak, antwoordde: 'Natuurlijk kan ik dat
ook. Ik kan me net zo klein maken als ik wil. Zeg maar wat ik moet doen.'
'Nou ja, maak je dan eens zo klein, zo klein als een knikker
bijvoorbeeld.'
Meteen rolde er al een knikker over het pad. De jongen deed een vlugge
greep en had de knikker in zijn hand en stopte die snel in de beurs, die
hij in zijn zak droeg. Hij sloot de beurs zorgvuldig en omdat de sluiting
kruiselings over elkaar sloot, kon de duivel er niet meer uit. Hij raasde
en tierde, dat de jongen hem vrij moest laten en voorspelde hem alle
straffen uit de hel, als hij niet onmiddellijk verlost werd. Maar de
jongen klopte eens een keer op het leer van de beurs en zei: 'Blijf daar
maar mooi zitten. Ik heb je mooi gevangen. Ik ga terug naar mijn makkers
en dan zullen we wel eens zien wat we met je doen.' Doodbedaard stak hij
de knip in zijn zak en liep terug naar het café waar hij aan het kaarten
was geweest. 'Zo,' zei hij, 'daar ben ik weer,' toen hij de deur kwam
binnenstappen, waar zijn makkers en de waard nog helemaal beduusd bij
elkaar zaten en het geval bespraken. Ze wisten niet wat ze zagen.
'Ik heb de duvel gevangen, in plaats van hij mij,' zei de jongen. 'Hier
zit hij in,' en nonchalant gooide hij zijn beurs op tafel, die werkelijk
bewoog en van waaruit geschreeuw kwam.
'Nu zullen we moeten bedenken, wat we met hem zullen doen. Want als ik hem
vrij laat, grijpt hij mij opnieuw en dan gaat het mij natuurlijk niet zo
best.'
Ze bespraken het geval met elkaar en een kwam er met het voorstel om in de
eerste plaats de duvel eens flink af te ranselen. Daar zou hij meteen van
opknappen. Ze haalden allemaal een flinke dikke knuppel, een spijl waaraan
de worsten werden opgehangen in de schoorsteen en toen kreeg de duivel een
pak slaag zoals hij nog nooit had gehad. Ze ranselden flink los op de
beurs, die ze op tafel hadden gelegd, maar ze zorgden er wel voor, dat ze
de sluiting niet raakten, zodat die open zou springen. Eerst schreeuwde de
duivel vanuit de knip allerlei bedreigingen. Hij zou ze dit en hij zou ze
dat, maar al gauw kermde hij van de pijn, want het waren een paar stevige
knapen, die de stok hanteerden. Toen begon de duivel zoete broodjes te
bakken. Hij beloofde dat hij hen niets zou doen, als ze hem los lieten. En
ook de jongen die hem gevangen had, zou vrijuit gaan. Afijn, na nog een
paar flinke meppen op de beurs, maakten ze de sluiting open. De duivel
schoot de knip uit en vloog door de schoorsteen naar buiten, alsof hij
vuur in zijn broek had. Hij hield zijn woord en de jongens konden vrijuit
gaan en ze hebben hem niet terug gezien.
Maar de jongen, die hem opgeroepen had, paste in het vervolg toch beter op
zijn woorden en heeft hem niet meer opgeroepen.
Bron: Volksverhalen uit Gelderland
|
LAREN -
KLEIN VELDKAMP
Op Klein Veldkamp in Laren heeft iemand jaren en jaren geleden al eens in
de schemering de duivel in eigen persoon in de kamer zien zitten.
Bron:
De Achterhoek p.244
|
EIBERGEN - ROOFSLOT MALLUMERHAAR
Bij de hoeve Assink heeft een geducht roofslot gestaan. De duivel in eigen
persoon is in 1633 bij een zeker Jan van Baar op bezoek geweest, om 200
daalder te eisen.
Bron: De
Achterhoek p.182
|
VELUWE- VERZONKEN
KLOOSTER IN HET SOLSE GAT
N.W. VELUWE - Waar nu het Solse Gat te vinden is, stond eeuwen geleden een
imposant klooster. De prior en de broeders die daar woonden, spotten wat
met strenge kloosterregels: ze leefden als heidenen en hadden hun ziel aan
de duivel verkocht. De kloosterlingen leefden in overdaad en weelde; ze
hadden de zonden ten troon verheven. 's Nachts kwamen meermalen heksen,
toverknollen en boze geesten op bezoek en dan werd de zwarte mis,
samenvatting van de satansdienst, gelezen. De wijn werd er bij emmers vol
gedronken eb de gehele nacht brandden de ovens om de gerechten gereed te
maken voor de enorme braspartijen. Er waren mensen, die laat naar huis
terugkerend, bij het passeren van het klooster, binnen de muren dergelijke
geruchten hadden gehoord en zo werd ook verteld hoe iedere nacht de
vensters van alle kloostervertrekken verlicht werden als door een hels
vuur. In een kerstnacht, nu al eeuwen geleden, moet er volgens het verhaal een
hevige storm boven de Noord Veluwe gewoed hebben en juist te middernacht
klonk een verschrikkelijke donderslag, die de mensen de stuipen op het
lijf joeg, want onweer in de winter was een grote zeldzaamheid, iets zeer
bijzonders. Het bleef bij die ene vervaarlijke donderslag, maar storm en
regen duurden nog lang voort.
Eerst tegen de morgen nam het noodweer af.
Toen het goed en wel licht was, kwam een jonge, geheel ontstelde jongen
het dorp Garderen binnenhollen en vertelde de kerkgangers opgewonden, hoe
hij in het bos bij de Drie was geweest en dat het grote klooster filiaal
verdwenen was. Op de plaats waar het gestaan had, was alleen nog maar een
ijselijk diepe kuil te zien. De bomen er omheen lagen tegen de grond,
afgeknapt als luciferhoutjes. toen dat nieuws zich als een lopend vuurtje
had verspreid, liepen de dorpen leeg, want ieder wilde het wonder,
natuurlijk een godsoordeel, zien. Van de statige toegangslaan tot het
klooster was niet veel meer over, er was nog een met veldkeien geplaveid
straatje te zien, meer niet: de aarde had zich voor het klooster en zijn
zondige bewoners geopend en daarna weer gesloten.
Maar sinds die nacht komt nu en dan uit de diepte van het Solse Gat een
geheimzinnig gerucht. De klokken van het verzonken klooster beginnen op
het middernachtelijk uur te luiden. En onder het spookachtig geluid komen
de geesten van de monniken te voorschijn. Ze gaan gebogen rond het gat en
prevelen droeve litanieën. Maar zodra de eerste zonnestraal als een gouden
pijl over de nog slapende heide en de bossen snelt, vluchtende
kloosterlingen plotseling jammerend weg in de donkere diepte van het Solse
Gat.
Bron: Veluwsche Sagen
|

Duivelshuizen
Echte sagen over
duivelshuizen zijn mij niet bekend. Wel zijn er veel spookhuizen geweest
in vroegere tijden. Duivels hielden hun samenkomsten meestal samen
met de heksen tijdens de heksensabbat op griezelige plaatsen zoals
galgenbergen, duivelsbergen en offerplaatsen. |

ARNHEM - HET
DUIVELSHUIS
Achter de Grote of Eusebiuskerk, aan het einde van de Koningstraat, kwam
rond 1520 veldheer Maarten van Rossem in het bezit van
een vroegere hofstede (stadsboerderij). Hij verbouwde dit huis en liet
duivelsfiguren, saters, aanbrengen bij een openbare doorgang op de begane
grond. Deze staan er als teken van ergernis, dat het stadsbestuur hem
toendertijd weigerde, een gouden stoep voor zijn huis aan te brengen. Deze duivels
aan de muren gaven het huis zijn naam.
Bron: Folkloristisch Woordenboek
|

Duivelskolken
Veel duivelssagen
speelden zich af in de buurt van kolken. Duivels hebben een hekel aan
gewijde klokken en kunnen niet tegen het luiden van deze klokken. Ze
worden er door verdreven. Daarom stelen duivels de klokken voor ze gewijd
worden en laten ze vervolgens in een kolk verzinken.
|

HAAKSBERGEN - DE
DUIVELSKOLK
Al het volk zat om de haard in 't Hof van Langelo bij Haaksbergen. Janske,
de rondtrekkende kolenbrander, 'r? voel oas, (een schrandere, guitige man)
had het hoogste woord, hij was voor de Duivel nog niet bang. Beppe (de
oude grootmoeder) vond dit gezegde al te erg: men mag de Boze niet tarten.
En ze vertelde van een feestmaal, oudtijds : daar was ook iemand geweest,
die de Duivel uitdaagde. En daar was de Duivel al, en heeft met hem
gevochten de halve nacht, tot beiden het schuim voor de mond kwam. Totdat
de Duivel hem zo stijf drukte, dat hem de ribben kraakten en 't bloed hem
uit de hals spoot. De roekeloze lag dood.
Beppe liet haar spinnewiel weer gaan. Ieder keek naar Janske, of die nu
nog wat zei. Janske nam zijn eiken stok in de hand en zei: dit alleen is
nodig.
Hij ging weg. Bij de kolk zag hij wat zwarts, dat niet op zij ging. Janske
sloeg er al maar harder op en op 't laatst moest de Duivel de wijk nemen.
Hij liep op het water van de kolk; Janske hem na. Hij sloeg de Duivel,
dat deze kermde als een kater en jankte als een hond. Nu sprong de Duivel
weer op de wal. Maar Janske sprong hem op de rug en drukte hem de keel
dicht, zodat de Duivel beloven moest, dat hij dadelijk naar de hel zou gaan
en dat hij daar altijd blijven zou.
Zo is 't gekomen, dat die Kolk daar de Duivelskolk heet.
Bron: Nederlandse Overleveringen p.87
|
RHEDEN - DE DUIVELSSTEEN
Bij Rheden liggen de Onzalige Bossen. Daar ligt een grote kei die "de
Duivelssteen" wordt genoemd. Het verhaal gaat, dat de duivel
in het Montferlandse bos stond. Toen hij de torens van Doesburg zag, werd
hij zo woedend dat hij een grote steen pakte en naar Doesburg gooide. De duivel mikte
niet goed en de steen kwam in het bos bij de Steeg terecht. De
afdrukken van de drie bokketenen van de duivel, zijn nog steeds te zien in
de Duivelssteen. Men zegt, dat er bloed uit de steen komt als je er met
een speld inprikt.
|
LOENEN - DE KLOK VAN
HERVELD
in de diepte van de Zwarte Kuil, niet ver van de Waal ligt een klok. Het
is de klok van Herveld, die men geluid had, toen zij nog niet gewijd was.
Men vertelde dat de ridder van het slot te Loenen die klok te vroeg had
laten luiden om een feestmaal, dat hij in de Kerstnacht hield, in te
luiden, hoewel zijn vrouw er zich tegen verzette. Nauwelijks was de eerste
toon verklonken, of de klok werd door de lucht gevoerd en viel neer op het
slot; op hetzelfde ogenblik brak de dijk en alle feestvierders verdronken:
alleen de vrome burchtvrouw bleef gespaard. Waar het slot verrees, ligt nu
de Zwarte Kuil, waar men in de Kerstnacht nog de klok door de duivel hoort
luiden. Sommigen zeggen dat men eerst een cent in het wiel moet werpen.
Bron:
Gelders Sagenboek p.136
|
BRUMMEN - DE VERZONKEN KERK
Bij de Kanonsdijk tussen Brummen en Zutphen is een diepe kolk. Hierin moet
indertijd in een Kerstnacht een kerk verzonken zijn, die vol mensen was.
In de Kerstnacht kan men daar nog elk jaar in die nacht de mensen horen
zingen.
Bron: Gelders
Sagenboek p.136
|
GORSSELSE HEIDE
DE VERZONKEN KOETS
Vlakbij ligt het
Nuttelerveen. Daar is eeuwen geleden een koets in verzonken met gouden
hoepels. Langzamerhand wordt het kleiner, en over een jaar of wat zal men
nauwelijks de plaats kunnen terugvinden waar de buurtbewoners vroeger turf
kwamen steken.
Bron:
De
Achterhoek p.260
|
LAREN DE
DUIVELSVENNE
In Laren is ook nog een
Duivelsvenne. Daar zal het ook wel niet pluis zijn. Zulke namen moeten
toch ergens vandaan komen, net als die van het Spaanse Veen en het
Spanjaardsbosje, die men ook in Laren vond; en de Kinderkolk, waar jaren
geleden een kind zou zijn verdronken. Men hoorde het soms om hulp roepen,
en dan was er slecht weer op komst. In de Plompenkolk was een juffrouw
verdronken. Men vermoedde dat ze op een dwaallichtje was afgegaan.
Bron: De
Achterhoek
p.244
|
LOCHEM DE
DUIVELSKOLKEN
Een bejaard
inwoner van Lochem kwam telkens als hij over de Lochemse Berg ging, de
duivel tegen. Toen hij zich eens voorover boog om de volle maan in het
water te zien spiegelen, zag hij plotseling dat de duivel hem op de nek
was gaan zitten. De duivel wilde hem alleen maar laten gaan, als hij
beloofde een klok uit de Lochemse toren te stelen en die in het water te
gooien. De oude man deed het, en daarom heet het daar nu Duivelskolk. Die
twee verhalen over de Duivelskolk zijn wel wat met elkaar in tegenspraak,
maar zo kritisch moet men in zulke dingen nu ook weer niet wezen.
Bron:
De Achterhoek p.244
|

Duivels weren
De duivelbanner
verstond de kunst en had de macht om boze geesten te verdrijven. Ook
duivelbezweringen kwamen voor. De kerk verbood het werk van de
leken-duivelbezweerders en bestreed hen. Volgens de overleveringsverhalen
waren er simpele manieren om duivels te herkennen. Bekend zijn de sagen
over de kruisdaalder.
|

DE KRUISDAALDER
Heel lang geleden moet het gebeurd zijn, volgens Kerst Zwart, toen een
jonge jager verliefd werd op een jong meisje, dat overigens van het
mansvolk niets wilde weten. Als bewijs van zijn trouw gaf hij haar een
goudgulden. Hij had er een kruis in laten graveren. Zolang ze die bij zich
droeg, zou haar niets overkomen, meende hij. Op een avond toen de wind
door de bomen gierde en de regen tegen de ruiten kletterde, was het meisje
alleen thuis. Op zulke avonden vierden de heksen met Satan bruiloft op de
Duivelsbelt. 'Ik zou hem toch wel eens willen zien', dacht ze. Toen werd
er zachtjes op de deur geklopt. 'Goed volk!' riep een prettige stem boven
het geloei van de storm uit. Het was een echte heer, toen hij binnenkwam.
Daarbij vergeleken was de jonge jager maar een kinkel. Voorzichtig schoof
hij aan met zijn gladde manieren en complimenteuze woorden . Fluisterend
vertelde hij dat zij de vrouw was, waar hij zo lang naar had gezocht. Als
betoverd zat ze erbij. Hij deed een gouden ring aan haar vinger. Dat was
een getuigenis van zijn liefde, zei hij. Het was alsof ze droomde. Als
iemand die slaapwandelt ging ze naar het kabinet en haalde er de gouden
penning van de jager uit. Nieuwsgierig keek de vreemdeling naar de
goudgulden. Hij zag het kruis, en op hetzelfde ogenblik veranderde hij bij
toverslag. Hij verschoot van kleur, hij verschrompelde als het ware, en
uit zijn hoofd sprongen een paar horens te voorschijn. Met een schreeuw
sprong hij op zijn bokspoten en vloog door de schoorsteen weg.
Bron: De Achterhoek
|
EDE - PLANKEN WAMBUIS
Bij 't Planken Wambuis onder Ede woonde
een duivelbanner. Deze stuurde de heks, die een vrouw ziek had gemaakt,
naar het huis van die zieke vrouw. 't Was 'n buurvrouw, die voor altijd haar
goede naam kwijt was, omdat nu haar boze kunsten aan de dag kwamen; zij
moest de betovering wegnemen en de zieke vrouw genas.
Folkloristisch Woordenboek p.87
|
DUIVELSDREK
Dit middeltje werd in de kleren genaaid en was een voorbehoedmiddel tegen
betovering. Ook begraaft men, om hekserij te verhoeden, in de stal vóór de
koeien een zakje met duivelsdrek en soms ook wel onder de drempel van het
huis.
Bron: Folkloristisch Woordenboek p.87
|
|

Terug naar alle sagen
|