DEMONENSAGEN

TERUG NAAR ALLE SAGENKNOPPEN EN KAART

AARDGEESTEN

VUURGEESTEN

WATERGEESTEN

LUCHTGEESTEN

HEEMENNEKES
 

 

 



 

 

 

 

.

 

  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De reuzen

In volksve
rhalen treden reuzen vaak goedaardig op, maar worden wel als behoorlijk dom afgeschilderd. Ze hebben, door zand uit hun mantel te laten vallen, heuvels doen ontstaan. Het oude geloof aan reuzen komt voort uit het ontzag voor de geweldige, vaak verwoestende krachten van de elementen in de natuur zoals onweer of storm, de watervloed, de duistere nacht of de winter. Ook in Gelderland zijn de reuzen volgens overleveringsverhalen flink actief geweest.
 

naar boven
AALTEN EN BREDEVOORT - DE TWEE REUZEN

Twee reuzen waren aangewezen om de dorpen van een plaats te voorzien. Het dorp Varsseveld hadden de reuzen al op de plaats gezet toen ze uitgeput in het gras neervielen. Op hun draagbaar stonden alleen nog een kerkje en wat huizen. Geen wonder dus dat een van de reuzen tegen de ander zei:  “Ho maar, hier kan wel een dorpje liggen!.” “O nee zei de ander, dan komen ze te dicht bij elkaar, breng maar voort, ’t is al te na bij Varsseveld.”
Toen besloten de reuzen hun conflict bij te leggen; een deel werd afgeladen en tegen een heuvel gezet en de rest een eind verder gebracht. Naar de woorden die de twee reuzen tijdens hun sjouwwerk wisselden hebben de dorpen hun naam gekregen. Bredevoort betekent du eigenlijk: "Breng maar voort", en Aalten  "Al te na".
Bron: Gelders Sagenboek p.3
 
.
GEESTEREN - DE SPRAKELBERG

De weg Borculo-Geesteren-Gelselaar was anderhalve eeuw geleden al zo belangrijk dat Napoleon opdracht gaf hem op te knappen. Die weg loopt langs de Sprakelberg, die daar per ongeluk moet zijn terecht gekomen. Toen de reuzen de Lochemse Berg hadden gemaakt, hadden ze nog genoeg over voor de Needse berg. maar onderweg verloren ze een kluitje, en dat is de Sprakelberg in Geesteren.
Bron: De Achterhoek p.202
 
UDDEL  EN ELSPEET - DE REUZEN

In de eerste sage, getiteld "De grote en de kleine hul", beschrijft van de Wall Perné het ontstaan van de heuvels te Elspeet en Uddel. Nadat Donar ("Thunar") de oven van de reus van Uddel met een mokerslag verbrijzeld had, ging de reus naar zijn buurman in Elspeet die op de Hardenberg woonde om te vragen of hij niet in zijn oven zijn brood kon bakken. De Elspeetse reus stemde toe, en zei dat hij de volgende morgen zijn brood moest brengen, omdat hij dan zelf ook ging bakken. Na gezamenlijk Donar uitgebreid beschimpt te hebben, ging de Uddelse reus in ruil voor de hulp het brandhout halen, en nuttigden ze daarna samen het avondmaal bij de Elspeetse reus thuis.
"Na den maaltijd, terwijl de vrouw met een eikenstruik den pot omveegde, bleven de beide reuzen nog wat samen praten en dronken vele malen op het welslagen van het baksel. Zoo dronken ze meer mede dan voor dit welslagen en een goede nachtrust noodzakelijk was." De Uddelse reus keerde huiswaarts, en snurkte zo hard dat men het "zeven mijlen in het rond kon horen". Toen hij wakker werd, merkte hij tot zijn schrik dat hij zich verslapen had. Hij gooide zijn vrouw de bedstee uit en zei dat ze vlug het brood moest kneden. Daarna sprintte hij met het brood dwars over de hei naar Elspeet. Tijdens kwamen zijn klompen vol zand te zitten, waardoor hij genoodzaakt was om halverwege te stoppen om ze te legen. Het zand uit de klompen ligt er vandaag de dag nog: de Grote- en de Kleine Hul. Overigens kwam de reus nog net op tijd aan in Elspeet.
Bron: Veluwsche Sagen - De Wall Perné.
 
BEEK/ZEDDAM- MONTFERLAND

Toen de reuzen de Elterse berg opkruiden, liet een van hen onderweg een brok aarde van zijn kruiwagen vallen. Hij wilde het weer opladen, toen een van zijn makkers spottend zei: „laat die mond-vol-land toch liggen." Sindsdien heet de berg Mond-vol-land: Montferland.

Een ander verhaal zegt dat Montferland zou ontstaan zijn door het vallen van een kluit aarde uit het schortje van een reuzendochter. toen deze daar aan het spelen was. Terwijl zij zich bukte om die kluit op te rapen, zei haar vader: „Laat maar liggen. Zo'n mondje-vol-land is de moeite van het oprapen niet waard.
Bron:
Gelders Sagenboek p.3
 

DE RIJN

Weet je wat de oorzaak van hoogwater is? Nou in elk geval niet het smeltwater van de Zwitserse sneeuw, zoals iedereen meent. Reuzen verlegden hier in hun zoektocht naar goud steeds de Rijn. De kabouter en de tovenaar van de Hunenschans hadden de reuzen ingefluisterd dat ze onder de rivier goud zouden vinden. Maar de kabouter en zijn compagnon kregen al snel genoeg van de steeds veranderende rivierbedding en sloten de reuzen onder de Rijn op. Daar wonen ze nu al vele eeuwen. Elke keer dat ze brood bakken, komt hun plafond, ofwel de rivierbodem omhoog. Dan staan bij ons de uiterwaarden blank.
Bron: Kitty Brongers (Artikel in Gelderlander 2002)
 


KABOUTERS

Deze kleine wezentjes komen ’s nachts het werk van de mensen doen in ruil voor een boterham, een kom pap of iets anders. Mensvriendelijke huisgeesten? Niet altijd, want wie de dwergen bedriegt of bespiedt, wordt gestraft..

Vreemd genoeg kon ik hierover geen sagen vinden. Misschien durfden de mensen ze niet te bespieden. Maar mocht je ze ooit gezien hebben of weten waar ze zich ophouden hier in de buurt, laat het dan even per email weten, zodat ik je sage kan toevoegen.


Dwaallichtjes


Wees maar niet bang, als je in de avond lichtjes ziet dansen aan de kanten van d
e sloten, 't Is waar, je kunt er niet helemaal rustig bij blijven. Geen wonder ook; ze hebben zelf immers ook nooit rust! Je ziet ze nu eens aan de ene kant van de sloot, dan aan de andere; nu in de lucht, dan op de grond; dan weer vaag, dan duidelijk; ineens zijn ze weg, om weer nog glinsterender te voorschijn te komen.


Je wordt er huiverig van! Je moet er medelijden mee hebben, want het zijn allemaal zielen, die geen rust kunnen vinden ; ze zoeken al maar door naar een plaats, waar ze mogen blijven. Er zijn er bij die 't kerkhof zoeken; dat zijn de arme stakkers die vermoord werden en geen begrafenis hebben gehad. Ze zijn aan de kant van de weg blijven liggen of in een kuil terecht gekomen.
Maar meestal is het hun eigen schuld. Gierigaards zijn er onder, die hun geld in de grond hebben gestopt en het niet weer kunnen vinden. Zijn dat geen stumpers? Zelf hebben ze er niets meer aan en anderen, die 't zo hoog nodig hebben, krijgen het ook niet. De onrustigste lichtjes zijn de valse landmeters of boeren, die zich meer land hebben toegeëigend dan waar ze recht op hadden. Ze zoeken naar de grens van hun land, die ze nooit, nooit kunnen vinden.
(Gelderse Overleveringen)
 

naar boven
LAREN - DWAALLICHTEN BIJ ’T SLAT

Ook dwaallichten hielden de fantasie levend. Boven het Slat in Laren zag men dwaallichtjes zweven. Dat waren zielen van ongedoopte kinderen, zei men. En iemand in Lochem, die 's avonds een dwaallicht zag zweven, greep ernaar. Maar hij sloeg met zijn hand in de pennen van een egel. Toen hij later nog eens wilde proberen een dwaallichtje onder zijn zakdoek te vangen mislukte dat.'
Bron:  De Achterhoek p.241
 


BEEK - DE ZONDEKOLK

Vrogger spoken ut bi'j den zundekolk. Eigeluk is dat den zondaarskolk. Daor kump de zondaarsweg oet. Dat is ne smallen weg, waor net ne wagen deur kan en 2 of 3 meter depe lig den weg. Vrogger worden op ne heugte, den Riesberg, misdadugers terechte esteld. In den nach ko'j vrogger an den kolk nog lechjes zeen en i'j heum ok altied geloeden. De leu met volle fantasie, en dat ha'n ze in vrogger dage, maken zich d'aor bange veur. Maor de lechjes kwammen van glimwörme, dee daor vrogger volle vlogen en ut geloed miskiens van de ransoelen, dee daor zit en van de takkere van de beume.
Bron: De oele röp - p.167
 

OMGEVING APELDOORN - DE WOESTE HOEVE

Gloeiende Gerrit

Elk weet, waar de Woeste Hoeve staat aan de weg van Apeldoorn naar Arnhem, van ouds de pleisterplaats. Daar woonden in oude tijd twee broers. De dag van de bruiloft van de oudste was gekom
en. Vriend en maag uit wijde omtrek vierden 't feest mee, dat duurde tot laat in de nacht. Eindelijk lag de Woeste Hoeve weer in het duister van de wijde eenzaamheid.

Toen stak de jongste broeder, uit nijd en afgunst, de brand er in. De Woeste Hoeve was verloren in de storm van de winternacht met al, die er in waren.
Gerrit was gevlucht naar de Onzalige Bossen, maar bevond zich al gauw in handen van het gerecht. En nog ziet men altijd een vlammend vuur dolen over de heide, zo groot als een strobos. Wie goed ziet, herkent een gloeiende man met een test vuur in de hand: Gloeiende Gerrit.
Bron: Gelderse overleveringen


BEEK - DE VUURKAELS

In de Baekermark ha'j vrogger veurkaels. De Baekermark lig tussen Beek en Didam. Dat was nog onverdeelde markegrond veur tachtug jaor. Alle boern mochten daor vee opdrieven, maor gin mense zorgen veur un good behaer. Daor greujen nog wakels en wal vieftien verschillende saorten orchissen. Daor ko'j de veurkaels zeen. Op ne aovend mos ne kleinen boer, ne kotter, naor Didam hen. Hee was bi'j zienen haerschop an ut dorsen ewes en ut runsel van de wannemölle was kapot egaone. Dat zol e effen laoten maken. Ut was ne kael as ne boom en hee was veur den duvel nog neet bange. Op de boerderi'je had' e aerste nog good wat egaetene. Brood met karnemelkse pap. Ton ging e op weg, dwars deur de mark, want dat was ut kortste. Gin ander mense waogen dat bi'j aovend, maor hee wal. Midden in de marken kreeg um toch den schrik te pakken en hee kreeg ok kramp van den pap. Hee streupen zich de bokse af en ging achter ne wakelstroek zitten. Ton zoog e opins groot lech op zich af kommen. Hee halen de bokse gaw wear naor bovven en hard ging ut op hoes an. Ziene vrouwe was al naor bedde. Zee zol de deure maor dicht doon, had e teggen eur gezegd, ik komme wal. In vollen höwwe vloog e teggen de dealdeure op. Dee vlaog oet de hengsels en hee lag langoet op de deale.  En 'n paar weake lang hef e zich neet  laoten zeen. Zo bange was e ewordene veur de vuurkeals.
Bron: De oele röp - p.168


De waterbullebak

Als je in de buurt van een vijver of kolk staat, kun je het gevoel krijgen dat een vreemde bovennatuurlijke kracht je mee naar de diepte wil trekken, zodat je verdrinkt. Het zijn de watergeesten die zich in de kolk verborgen houden. Om kleine kinderen te waarschuwen, niet te dicht bij een kolk, of niet te ver over de waterputrand te buigen, werd vaak gewaarschuwd voor deze enge watergeest, de man met de haak, de waterbullebak of de boelekeal.

naar boven
STOKKUM - DE HEKSEKOEL

Een buurtje aan de Kastanjelaan heet de Heksekoel. De naam is eeuwenoud, want op een kaart uit 1727 is sprake van een 'Hexe Kuill'. Dit was een waterkolk. Kolken, vaak gebruikt als drinkplaatsen voor het vee, waren vroeger geheimzinnige plaatsen. kinderen mochten er niet te dicht bij komen, omdat kolken grondeloos diep en heel gevaarlijk waren. Daarom zeiden de ouders dat er een boelekeerl of een heks in zat. Dan bleven de kinderenweg, dachten ze.
Bron: Ze zeggen p.21
 

LOCHEM - DE WILDENBORCH

Watergeesten zijn in onze streek dun gezaaid. Maar in de vijver van de Wildenborch logeerde toch de 'waterbullebak'. Kinderen die te dicht bij het water kwamen trok hij met een grote haak naar zich toe.
Willy H.Heitling p.242
  (foto van internet?)

INGEN In het water zit een „lelijke kerel" met een lange arm, zegt men te Ingen, en hij is zó groot dat hij in alle sloten zit.
Te KERKDRIEL spreekt men van „Lange Lijs
Te BRAKEL spreekt men van de ,,lelijke man"
Te MILLINGEN A.D.RIJN spreekt men van de „kerel met de haak"


Luchtgeesten

Oorspronkelijk komen deze verhalen uit het Germaanse geloof, dat in de donkerste tijd van het jaar, de 'twaalf nachten', de geesten van de overleden mensen zich vertoonden.
Het dodenheer, dat door het luchtruim suisde onder aanvoering van de oppergod Wodan, meende men te herkennen in het joelen van de wind tijdens winterse stormnachten, of in het roepen van vluchten wilde ganzen en andere overvliegende trekvogels. Later kreeg deze 'wilde jacht' die onder allerlei namen bekend staat, ook historische duidingen. Vooral de naam van de oorlogszuchtige Munsterse bisschop Christoph Bernhard von Galen, die als 'Bommenberend' is blijven voortleven, werd er aan gekoppeld
Bron: Volksverhalen uit Overijssel p.34

naar boven
LAREN -  BEREND VAN GALEN

Bij de luchtgeesten moet Berend van Galen worden gerekend, die ook hier met grote haast door de wolken reed, misschien als opvolger van Wodan. In Laren was het 'Ronnekemère', een klein paardje dat door de lucht vloog. Maar in de kerstnacht ging Derk met de Beer rond, die alles meenam wat niet op zijn plaats stond, zoals kruiwagens die niet binnen stonden en bonenstaken die bleven slingeren.
Bron: De Achterhoek p.242
 

DE VELUWE

Op de Veluwe weet men ook over de oorsprong van de Wilde Jacht te vertellen:
Er was eens een oude boer, die maar één zoon had en van die ene zoon beleefde hij weinig plezier. De zoon liet zijn vader maar werken en deed niets dan drinken en jagen.
Ook toen zijn vader op sterven lag, maakte hij zich gereed om op jacht te gaan en trok het bos in. De oude man kon hem het huis horen uitgaan en zei: „Zo zul je dan eeuwig jagen"; toen stierf hij. Na de begrafenis vertrok de moeder en in die nacht verzonk het huis: niemand weet meer te zeggen, waar het gestaan heeft. De zoon doolt van die dag af rusteloos rond en kan zijn ouderlijk huis nooit weer vinden, en voor hem uit rennen zijn honden.
Bron: Veluwsche Sagen
 

LAREN - RONNEKEMÈRE

In Gelderland hoorde men de Wilde Jacht aan het „nachtelijk geklepper" dat de paarden in de lucht maakten.
Bron:  Buddingh

Dit doet denken aan de verschijning van „Ronnekemère", te Laren, een klein paardje, dat door de lucht vliegt. Het geluid dat het paardje maakt, meent Heuvel terug te kunnen brengen tot het trillen der slagpennen van de watersnippen, die 's nachts overvliegen.
Bron: Oud-Achterhoeks Boerenleven
 

GROOT DOCHTEREN

Voeger, toen er nog geen prikkeldraad was, moest op 5 november de tuurnpaolen van de weiden worden gehaald. Anders maakte Derk met de Beer ze stuk. Het schijnt echter dat hij zich met schrikdraad niet bemoeit. De verzameling zou niet compleet zijn, als wij er geen witte en zwarte juffrouwen op na hielden.
Bron: De Achterhoek p.242
 

DE WILDE JACHT

Bèrndeken van Geulen ging op zondag jagen en moet nu tot straf de Berndekesjacht aanvoeren. Hij jaagt in de tijd, dat de zon om zes uur op en onder gaat, vooral in het voorjaar. Dan hoort men in het aardedonker trekvogels roepen: „tsjieuw, tsjieuw", net als blaffende honden, en ziet in de jagende wolken fladderende mantels.
Bron: Oud-Achterhoeks Boerenleven
 


DERK MET DE BEER

Vóór midwinter moeten de bonenstokken uit de grond, want anders 'geet Derk met 'n Beer d'r deur'. Of ook wel:  Derk met zijn mannetjesvarken is een van de sagegestalten, waarvan je in deze tijd van het jaar een glimp kunt opvangen, al loopt ook zijn rijk ten einde, tegelijk met dat van de korhoenders. Die Beer, dat was een onmundig groot varken, maar wie Derk eigenlijk was, dat weet niemand meer. De volkskundigen kunnen het je wel uitleggen. Hij zou een nazaat zijn, om het zo te zeggen, van de Germaanse god Fro, die op een everzwijn met gouden borstels door het luchtruim reed. Een soort demon dus, voor wie het Achterhoekse en Twentse voorgeslacht een heilig ontzag koesterde. Dat kun je al lezen in schrifturen uit de vorige eeuw, bijvoorbeeld in 'De Oude Tijd', waarin wordt gemeld dat de landman zelfs de naam van dit bovenaardse wezen niet durfde uit te spreken, uit vrees van hem te roepen. Daarom noemde men hem gewoon Derk.
bron: Volksverhalen uit Overijssel p.32
 


GIESBEEK

Een 73-jarige man te Giesbeek had in zijn jeugd wel gehoord van de Hubertusjacht. Hubertus ging voorop met zijn hond en je kon de hond horen blaffen, had zijn vader hem altijd gezegd.
Bron: Volkskundelijsten Nederl. Akademie
 

GROENLO

Te Groenlo vaart Beerneken met een vurige wagen door de lucht; elders in de Achterhoek vertelt men de kinderen dat hij in de maan staat.
 

LAREN - DERK MET DE BEER

Derk met de Beer gaat te Laren om in de Kerstnacht. Hij neemt dan alles mee wat niet op zijn plaats staat, zoals ploegen of eggen, die nog op de akkers staan, kruiwagens, die niet binnen stonden en bonenstaken die bleven slingeren.
Bron: De Achterhoek p.242
 

VORDEN -  DE DECANIJE

Uit het hek van de Decanije rijdt elke nacht om twaalf uur precies een ruiter, met zijn hoofd onder de arm, gevolgd door een zwarte hond met vurige ogen. Samen verdwijnen ze in de vijver, en sommigen hebben de ruiter met kettingen horen rammelen. Maar waaróm die Vordense ruiter zijn hoofd niet gewoon op zijn romp zet, en waarom hij elke nacht zo'n vermoeiende bedrijvigheid vertoont, is niet bekend.
Bron: De Achterhoek p.224
 

AALTEN WINTERSWIJK REKKEN

Ook te Aalten. Winterswijk en Rekken kent men nog steeds Beerneken van Galen als de aanvoeder van de Wilde Jacht; deze heet in Winterswijk Jagdbeeandekes Heer
 

ZELHEM

In de Kerstnacht rijdt de jager met de hondjes door de lucht en men kan de hondjes horen blaffen. Die jager had Christus in zijn huis geen rust willen gunnen en moest daarom tot de jongste dag blijven jagen.
Bron: Volkskundelijsten Nederl. Akademie
 

SILVOLDE - DE KAT IN DE MOLEN

Op ne mölle bi'j Silvolde kwam ne ni'jen möldersknech. Den olden knech veurspellen al wal, dat e daor neet lange zol blieven. „Ut zal mi'j is ni'jen of i'j ut daor lange volholdt." Maor de knech was neet bange. Den aersten den besten nach, ton e drok an ut malen was, kwam der ne katte bi'j um. Den knech nam ne maalzak en flaern der de katte met umme den kop. De katte begon opins te praoten en zae: At straks ut olde griesken maor is kump, dee zal ow wal. Den knech maken zich heilig en nam zien mes, heeuw der met van zich af en sloog de katte de poot af. De katte schreeuwen en vloog weg. Den poot stok de knech in ziene tasse. Den andem morgen ton e op ut möldershoes kwam, lag de grotmoder in bedde. Ton e vroog, wat of eur faelen, zae'n ze dat ze zich slim in de hand esnaene had. Ne vinger der knats af. Ton gaf de knech den poot an de mölder, want ut was de grotmoder ewes, d'ee 's nachens bi'j um op de mölle was ekom'ne.
Bron: De oele röp - p.15

 

De Heemennekes

't Heejmanneken röp veural bi rowweer: Heej. heej! A'j' 't heurt. dan mo'j' veurzichtig weazen. Want a'j' antwoord geaft op zien geroopte, dan springt et ow op 'e rugge en geet daor neet weer vedan. veur da'j' in 't hoes komt. En 't wordt how langer zo zwaorder, zoda' j' 't op 't lest haas-te neet meer beuren kont. En 't kik ow aldeur met glönnige euge oaver den scholder an as 'n katte.
Bron:
Gelders Sagenboek

naar boven
De Héémennekes

Ten zuiden van het kerkdorp Glanerbrug in de gemeente Enschede bevindt zich het Aamsveen. Een veengebied op de Nederlandse - Duitse grens. Het landelijke gebied aan de Nederlandse zijde wordt oudsher de Enschedeër Es genoemd. Hier staan vele oude boeren hoeven.
De boeren gingen vaak naar het Aamsveen om turf te steken en kwamen daar vaak nabij de veenplassen de hémannekes tegen; vurige vlammetjes onder het voortdurende geroep van hé, hé, hé. Aan de oever van de veenplassen zat dan een witte vrouw op haar spinnewiel te spinnen; rrrt, rrrt, rrrt. Op een van de boerenhoeven was een knecht werkzaam uit Holland en deze was voor de duivel niet bang en trok zich daarom ook niets aan van de vele geesten die in het Aamsveen rondhingen. Toen deze op een goede dag aan het turfsteken was begonnen de hémannekes weer hé, hé, hé te roepen. Niemand zou de geesten durven te beproeven, maar de knecht had er lak aan en begon deze in dezelfde bewoordingen uitdagend terug te roepen.
Een van de hémannekes nam dit niet en begon niet alleen steeds geestdrifter te roepen, maar kwam ook naderbij. Plots was hij zo nabij dat er geen weg meer terug was. De blauwe vlam kroop uit de kuil en besprong de knecht in zijn nek. Wild begon hij om zich heen slaan, rolde over de grond en sprong de kuil uit. Niets hielp, het hémanneke liet zich niet wegsturen en bleef zitten waar het zat. Vervolgens zette hij het op een lopen naar de boerderij, maar ze konden hem niet helpen.
Aangedaan trok de knecht door de deel om zich in de keuken te verschuilen. Het hémanneke bleef maar vlammen in zijn nek. Pas toen de boerin met een gewijde kaars kwam sloeg het hémanneke op de vlucht. Het zweefde langs de binten en hield zich schuil achter een zeef aan de wand. Toen de deur open ging maakte de zeef zich los van de wand en zweefde met het hémanneke terug naar het Aamsveen. Later werd het hier terug gevonden en nog tot op de dag van vandaag wordt de zeef gebruikt voor het wannen van de rogge.
bron:
 site Meteo Maarssen (zie links)
 


EIBERGEN - KORMELINKSBULTEN   DE HEEMANNEKES

Zij werden gezien in de buurt van de Kormelinksbulten, waarschijnlijk opgestuwd door het landijs, met grindgroeven waarvan de wanden een brok aardgeschiedenis te vertellen hebben. Vroeger zei men dat het daar spookte, en bekend zijn de verhalen van de Heemennekes. Als ze roepen moet je nooit terugroepen, want dan springen ze op je nek en worden hoe langer hoe zwaarder. Dat is, zeggen de verhalen, al verschillende mensen overkomen. Een boer is zelfs met kar, paard en zoontje in het moeras verzonken, nadat hij 'Hee, hee!' had teruggeroepen. Sindsdien zweeft daar om onnaspeurlijke redenen in maanloze nachten een zwarte vrouw rond.
Bron: De Achterhoek p.182
 

EIBERGEN

Lestens nog keerden 'en timmerman onder Eibargen met zien ge re i in 'n bak op den scholder nao 't hoes. In 'e stille laan heurden-e roopen: „Heej! hee|'!". Too zea-e: ,,Now wi'k toch es zeene. of 't waor is wat de lue zegt.",,Heej! heej!" reep-e weerumme, en waor is 't, wa'k ow zegge, daor zat em et spook al in 'e timmerbak en kek em glönnig an. De man wordden bange, zat den bak neer, en maakten zich oet 'e veute.
Bron: Graafschapse Geschiedenissen.
 

EIBERGEN  DE EPPE

Ook bij de Eppe onder Eibergen hoorde men in de moerassige wildernis het hémanneken roepen.
Bron: Oud-Achterhoeks Boerenleven
 

TERUG NAAR 'ALLE' SAGEN
 Terug naar alle sagen