Jouw
hart klopt anders dan het mijne,
toch pompen we hetzelfde bloed.
Al zul je eens verdwijnen;
we gaan elkander tegemoet.
Jouw eerst nog schuchtere bewegen,
zoals een vlinder in zijn pop, is nu al lang niet meer verlegen;
je geeft me af en toe een schop.
De warmte waar ik je in koester
is ruim voldoende voor ons twee.
Jij bent de parel, ik de oester,
we drijven samen door de zee.
Maar straks, als je wilt gaan stralen,
dan zal ik voor je opengaan,
zoals ik reeds zo vele malen
in mijn gedachten heb gedaan
Mijn hart klopt anders dan het jouwe,
toch pompen we hetzelfde bloed.
En daarom
kan het me benauwen dat je me eens verlaten
moet.
Symboliek
Met de
helm geboren
Baby's
waarbij tijdens de geboorte het vlies nog om het hoofdje
zat, zouden helderziend zijn.
Dwaallichtjes
Zielen
van ongedoopte kinderen. Zij huppelen naar
voorbijgangers om die naar een poel of plas te leiden om
alsnog gedoopt te mogen worden. Ze werden
beschouwd als lichtjes van de duivel om mensen van het
rechte pad af te houden.
Beschuit met muisjes
Vroeger werden anijszaadjes door van een laagje suiker
voorzien. De anijszaadjes hadden een 'staartje'.
Waarschijnlijk komt hier de naam 'muisjes' vandaan.
Hansje in
de Kelder
Tijdens de aankondiging van een zwangerschap werd een
drankje uit 'n speciale zilveren beker gedronken. Hierin
zat een poppetje dat te voorschijn kwam als het glas
leeg begon te raken.
Bakermat
Langwerpige rieten mand of houten bak die voor het vuur
staande, tot zitplaats diende voor de baakster, wanneer
zij 't op haar schoot liggende baby'tje verzorgde.
Ooievaar
Na de
geboorte brengt de ooievaar de 'ziel' over naar de baby,
zodat de baby gelukkig zal worden.
De naam Ooievaar is
een samenvoeging van ode (geluk) en baren (brengen). Het huis
waar de ooievaar haar nest ging bouwen was gevrijwaard van
onheil. De boer zou een grote oogst binnenhalen. De bliksem zou
daar niet inslaan. In de Middeleeuwen was men er in Duitse
steden van overtuigd dat de ooievaars brand
voorkwamen. Ook zouden de bewoners geen tegenslagen te
verwachten hebben en gezond blijven. De ooievaar wordt
daarom ook wel de brenger van geluk genoemd. Vandaar dat
men in het oosten van het land praktisch altijd een
houten ooievaar in de tuin ziet staan. Dit ritueel
houden de buren stand, want nadat de ooievaar, met
daarbij een bord met de naam
van de baby, en waslijn met babykleertjes geplaatst was,
wilden alle buren wel even helpen met "het kind laten
pissen"........ Met andere woorden.......... feest !
Kraomschudden !
Vroeger meldde 'de ooievaar' zich in veel gezinnen elk jaar
wel 'n keer. Families met 13 ą 14 kinderen waren absoluut geen
uitzondering. Voorbehoedsmiddelen kende men nauwelijks. In
katholieke gezinnen mocht men ze bovendien niet gebruiken en
werden de ouders zelfs aangemoedigd toch vooral veel kinderen
te krijgen. Dit had tot gevolg, dat er geregeld kraamvisites
in de buurt afgelegd werden. In de Achterhoek wordt dit
'kraomschudden' genoemd. Het was van oorsprong een ritueel,
waarbij de baby officieel in de buurt opgenomen werd, maar
daarover straks meer.
Het
doopfeest
Dit
oorspronkelijke heidens gebruik stamt nog uit de oude
Germaanse tijd. Zij legden hun baby nl. op een schild, waarna er
in een riviertje een rituele wassing plaatsvond en het kindje
opgenomen werd in de gemeenschap.
In katholieke gezinnen werd de baby enkele dagen na de geboorte gedoopt.
Door de doping werd de baby vrijgemaakt van erfzonde. (?) De baby kreeg bij de doop een
peter en meter aangewezen. Dit hield in, dat, mocht de
moeder komen te overlijden, zij zich over de baby zouden
ontfermen. Meestal werd voor deze eervolle taak een
broer of zus van de vader of moeder gevraagd en werd hun naam
ook in de doopnamen verwerkt. Een doopdatum werd zo snel
mogelijk na de geboorte vastgesteld. Op de afgesproken dag
werd de baby aangekleed door de peettante. Meestal een
mooi wit doopkleed. Zo werd de baby naar de kerk gedragen,
waar het gedoopt werd. Men stond gezamenlijk om het doopfont
(zonder de moeder) en de pastoor goot tijdens een gebed een
beetje wijwater over het hoofdje van de baby.
Een baby dat maar kort leefde of levenloos werd geboren
en nog niet was gedoopt zou niet in de 'hemel' komen maar
in het 'vagevuur' belanden. (wat dat ook betekenen mag). Ik heb me
altijd ontzettend geėrgerd en gestoord aan het feit dat
deze babietjes niet op de gewone
begraafplaats tussen de 'gedoopten' begraven mocht worden. Voor hen werd een
aparte plek achteraf, grenzend aan de gewijde grond,
gereserveerd (het limbus infantium). "Gemener" kon het volgens
mij niet. Werd dit in de r.k. kerk bedoeld met naastenliefde?